|
Het gebeurt vaak dat er situaties zijn die we niet
aankunnen. Thuis, op het werk, op school, in het gezin. Het is de onmacht
die ons dan parten speelt. De situatie breekt ons op.
Ik herinner me gesprekken over opvoeding van kinderen. Over de vraag hoe
je dat moest doen. En het blijkt steeds weer opnieuw dat je het niet
volmaakt doet. Het blijkt steeds weer dat je het misschien wel heel slecht
doet. Je vraagt je vaak af (en niet alleen bij het opvoeden): Waar ben ik
mee bezig! Ik ben bezig met dingen die ik totaal niet overzie. En je hoopt
dat er situaties komen die je kunt overzien: Een nette keuken, een la met
briefpapier, een gestofzuigde kamer.
Maar al die dingen die je niet overziet, die laten je nog niet los. Er is
naast die kamer en die keuken nog zoveel en het is niet in te delen, te
rubriceren, te ordenen. Er zijn steeds dingen die er tussenuit breken en
de boel in de war schoppen, zodat je wanhopig wordt. Totdat er een moment
komt waarop je begrijpt: |
akkoord, ik kan de zaak niet aan, maar is dat
juist niet erg goed? Er zijn dingen die te ‘wonderbaar’ zijn. Maar
schuilen er in het wonder juist niet allerlei onverwachte mogelijkheden?
Neem nu de opvoeding. Ik kan de opvoeding van mijn
kinderen niet aan, het is ‘te groot voor mij’. Er zijn te veel elementen
die ik niet overzie. En dan komt het keerpunt: Misschien is dat juist wel
goed. Misschien laat ik zo een kans open voor mijn kinderen om zelf te
komen, om zelf het hunne bij te dragen aan de opvoeding. Om zelf in het
gat te stappen waar ik zo bang voor ben. Misschien was ik wel bezig, al
‘overziende’, een beetje voor God te willen spelen. Zo ontnam ik elk
initiatief aan de kinderen. Ik moest misschien heel veel overlaten aan hen
en aan God. Zij staan naast elkaar en ik sta alleen. Ze zullen komen om
mij bij te staan.
Anne Wopke Vlieger |