|
|
G
e d i c
h t e n |
|
| Krijn Kamper
voelt zich aangesproken door het
landschap in de omgeving van
Amerongen. Deze brengt hij in
verband met zijn leven en zijn
christelijke geloof. Zo
inspireerden hem de pont en de
boerderij die daar vlak bij
ligt, tot de volgende gedichten. |
|
 |
|
|
 |
|
|
|
Den 5den Maart |
|
|
Op ’n kleine terp, want buitendijks,
kijkt
richting veer een
boerderij.
Boven de deur voor ’t groot
gerij
een jaartal met “den vijfden Maart”. |
|
|
Toen grepen Rijn en wind gelijk
het
huisje aan;’t had geen
verweer.
De boer, waardmeester in de
weer,
zag
stee en stallen niet
gespaard.
|
|
|
Zo komt, denk ik, vaak onverwacht
Een rampspoed als de lente lacht
En liefde lust en schatten
gaart.
|
|
|
Nu zie ik, jaren later pas,
hoe doodnormaal mijn leven was
want zo heeft elk zijn ‘vijfden Maart’
Krijn
Kamper |
|
|
|
|
|
 |
|
 |
|
 |
|
|
|
|
De Veerstoep |
|
|
|
|
|
Bloedrode lucht en zilver op de
golven.
Nog even en alleen het
wolkenroze
verraadt het weggezonken licht.
De dag is af, het werk verricht. |
|
|
De
pont van klep tot klep gestouwd
met torren die de dijk belijnen
- vuurvliegjes als de kim
verflauwt -
grensgangers, snel uit 't zicht
verdwijnend. |
|
|
Hun
zorg en onrust dekt de
nacht.....
Stijgt voor hen op, uit
ochtenddauw,
een leeuw'rik die naar 't zenith
klimt? |
|
|
Eens
word ik boven Thuis verwacht,
rijst stralend voor mij Vaders
trouw,
het gouden Licht: de Dag begint!
Krijn Kamper |
|
|
 |
|
Idee-fix
(Frederik
Adolph 1614 –1638)
Zie, in de
zichtlijn van ons Huys*
de mannen neigen, een voor een:
mijn oudste rijdt van Wijk weer
thuis !
Zo fier en moedig is er geen !
--------
Nóg zie ik ze gebogen staan,
soms wintergrauw, soms
voorjaarsgroen.
Hij streed bij Berg’ op Zoom;
werd daar
een held, die het blazoen
den Spanjaard fierdriest tegen
droeg
en stierf als ‘offer dezer Staet
den Heer gewijd’, wat niemand
vroeg,
maar op zijn rouwbord** staat
vermeld.
Scherp zie ik ze, … dáar, aan de
dijk:
ze buigen, ……zeven welgeteld
.
Krijn Kamper
*Kasteel
Amerongen’
**Boven de
gravenbank in de Andrieskerk te
Amerongen |

14
Frederik
Adolph
van Reede
d
1638 |
| |
|
|
|
 |
D E V I
S S E R
|
|
 |
1
Dit heb ik jou nog nooit verteld
(niemand weet er trouwens van),
maar nu ik niet meer uit de
voeten kan
wroet mij een sater door de kop:
“Had ik niet beter,……..
door ze mijn hengel toe te
steken….”
Toch stom gedacht nietwaar?
’t Was immers oorlog
en dan telt toch elke man? |
2
Het veer voorbij,
en dagenver
dreef donkerdiep
langs krib en kiel
de stroom hen voort;
bij riet en slik
weer
aan het licht. |
|
 |
3
Koppels en kepie’s op de krib
waren veelzeggend,
maar zeiden niet, dat ik
die middag daar te vissen zat:
mijn wijkplaats, vrij van dat
soldatengroen.
Zij róofden mijn illusie. |
4
Ze keilden steentjes,
schermden met een stok op het
basalt,
blauwzwart en glad.
Ik grijnsde toen er één te water
ging;
zijn maat greep mis,viel ook.
|
|
 |
5
Ze zonken snel,
want wijde laarzen willen wel
omlaag in kolkend water.
Ik schrok, dacht rap er
overheen:
“Die maakten zich mooi van
kant!” |
6
Zeg jij nou zelf:
‘k zat zwaar in het verzet,
is het dan vreemd,
dat ik ze gaan liet,
niet eruit trok?
------------------------ |
|
 |
7
Heb ik me dan toch zwaar
vergist,
breekt strijdlust níet de
plicht?
Nu Petrus mij te wachten staat,
hoor ik de avondklok:
‘Een wan is in zijn hand’.
-------------------------------------- |
8
Mijn God, ’t had níet gemoeten,
ontfermt U………..over mìj!
U bent de goede Visser.
Wanneer ze bij Ú zijn,
wilt hen dan groeten.
|
|
|
|
|
 |
|