|
Lees
en vergelijk
! |
|
|
|
|
Beginpagina |
Kerkenwerkpagina
van de Michaëlkerk |
Islamlezing |
Gemeenteavond |
|
|

|
|
| In het Oude Testament vinden we
verhalen over Hagar en Ismaël. Maar de Koran kent deze personen ook.
Daar heten ze Hagar en Ismaïel. Lees en vergelijk de verhalen. |
|
|
Een verhaal uit de
wereld van de Islam: Hagar en Ismaïel |
|
|
|

|
|
|
Vele jaren nadat Ibrahiem
uit het land van Babel was weggetrokken, liep hij met een jonge vrouw
door de Arabische woestijn. De vrouw heette Hagar en ze droeg in haar
armen hun zoon Ismaïel. Hagar liet haar lange rok over de grond slepen,
zodat haar voetstappen in het zand uitgewist werden. Want ze was bang
dat Sara, de eerste vrouw van Ibrahiem, haar achterna zou komen. Sara
was jaloers op Hagar, omdat Hagar een zoon had gekregen, terwijl Sara
geen kinderen had.
Ibrahiem en Hagar kwamen in de vallei van de Hidzjaaz,
waarin de verwoeste Kaäba met de heilige zwarte steen onder het zand
verborgen lag. Bij een heuveltje met roodbruin zand bleef Ibrahiem
staan. Daar groeide een doornstruik, de enige struik die er in de vallei
was. 'Ga met Ismaïel in de schaduw van deze struik zitten', zei
Ibrahiem en hij zette de zak met dadels en een leren zak met water bij
hen neer. Toen keerde hij zich om en verliet hen. Hagar legde het kind
onder de doornstruik en liep Ibrahiem achterna. |
'O Ibrahiem!',
riep ze angstig, 'waar ga je heen?
Je laat ons toch niet alleen achter hier in de
woestijn waar niets en niemand te vinden is?" Ibrahiem gaf geen
antwoord en liep door. Hagar bleef vragen, maar Ibrahiem keerde zich
niet om. Toen vroeg ze: 'Heeft God gezegd dat je ons hier moet
achterlaten?' 'Ja', zei Ibrahiem, 'Allah wil het zo.'
'Dan zal Hij ons niet aan ons lot overlaten', zei Hagar
en ze keerde terug naar haar kind, dat lag te huilen onder de
doornstruik. Terwijl ze Ibrahiem in de verte zag verdwijnen, gaf
ze Ismaïel de borst en dronk zelf van het water uit de zak. Maar dat
raakte al gauw op en er was nergens water te vinden. Zand en stenen
onder de hete zon, dat was alles wat Hagar om zich heen zag in de droge
woestijn. Ze kreeg verschrikkelijke dorst en kon haar kind niet meer te
drinken geven.
Ze legde Ismaïel in de schaduw van de doornstruik en
keek naar hem zoals hij daar klagend lag te huilen. Ze wist dat hij
spoedig zou sterven als hij geen water |
|
|
|

|
|
|
kon
vinden. Ze kon het gehuil van het kind niet meer aanhoren. Daarom
liep ze naar de dichtstbijzijnde heuvel, de Safa, en beklom die. Ze keek
uit over de vallei in de hoop dat er reizigers aan zouden komen, die
haar konden helpen. Maar ze zag geen enkel levend wezen.
Toch gaf ze de moed niet op. Ze bond haar lange rok op,
liep de heuvel Safa af en stak de vallei over naar de heuvel Marwa. Maar
ook vanaf deze heuvel zag ze geen mens. Ze rende weer terug naar
de Safa, en toen weer naar Marwa. Heen en weer, wel zeven keer.
Nadat ze voor de zevende keer de Marwa had beklommen en uitgeput op de
grond neerviel, hoorde ze een stem fluisteren. Ze luisterde.... Weer
hoorde ze de stem, en ze zei: 'U, die ik hoor maar niet zie, als u kunt,
help me dan!' En zie daar stond een engel naast haar. Met zijn
vleugels sloeg hij op de grond, steeds weer, totdat...er plotseling
water opborrelde uit de aarde. Hagar dacht dat ze droomde. Ze deed haar
ogen open en stond op. De engel was verdwenen maar het water was er
werkelijk. Met een kreet van verrassing knielde Hagar neer bij de plaats
waar het |
water
naar boven kwam. Met haar handen groef ze een gat waarin het water bleef
staan. Ze slurpte het op en vulde de leren zak zodat ze Ismaïel ook te
drinken kon geven. Daarna droeg ze hem naar het water om hem te wassen.
Ismaïel hoorde het water borrelen en probeerde het geluid na te doen:
'Zam-zam....', deed hij. Daarom heet die bron nu nog: Zamzam!
Het water bleef vloeien en zo konden Hagar en Ismaïel in de eenzame
vallei blijven leven. Planten en struiken konden er nu groeien en ook
vogels en andere dieren kwamen op het water af.
Niet lang daarna kwamen de Jurhums met hun kudden voorbij. Dat waren
Arabieren uit Jemen. Zij hadden een vogel zien vliegen boven de vallei
waar Hagar en Ismaïel woonden en ze zeiden tegen elkaar: 'Dat is een
vogel die altijd boven water vliegt. Wat vreemd -in deze streek hebben
wij nooit water gevonden. Zou die vogel nu toch water ontdekt hebben?
Laten we eens gaan kijken.'
Zo kwamen ze bij de bron Zamzam. Hagar was juist bezig water te putten.
Ze was blij dat ze weer eens |
|
|
|

|
|
|
wat mensen zag.
Ze ontving hen gastvrij en gaf hen van het water te drinken. De Jurhuns
vroegen: ' Vind je het goed dat we hier bij de bron ons kamp opslaan?'
Hagar zei:' Dat is goed, maar het water is van ons. Jullie mogen de
dieren laten drinken in ruil voor schapen en geiten.'
De Jurhuns haalden hun familieleden op en sloegen in de vallei hun
tenten op. Ismaïel groeide samen met hun kinderen op en leerde van hen
Arabisch; ook leerde hij van hen met pijl en boog schieten. Hij werd een
flinke beste man, de beste boogschutter van heel de stam. De Jurhuns
kregen grote bewondering voor Ismaïel. Ze kozen hem tot hun stamleider.
En er werd een groot feest gevierd toen Ismaïel trouwde met Rielaah,
een Jurhumie-meisje. |
Het verhaal van
Hagar en Ismaïel werd overgenomen uit 'Marhaban', verhalen uit de
wereld van de Islam.
Baukje Offringa schreef de verhalen in dit boek naar aanleiding van
Koranteksten en overleveringen over Mohammed en de eerste kaliefen. Het
boek is uitgegeven bij Meinema. |
|
|
  |
|
|
|
Om te vergelijken:
Hagar en Ismaël, een verhaal uit Genesis 16 (NBG) |
| In de Bijbel
komt vanaf het begin duidelijk naar voren dat er twee volken zijn:
Israël en het volk van Ismaël |
|

|
|
|
Sara
nu , de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een
Egyptische slavin, wier naam was Hagar. En Sarai zeide tot Abram: Zie
toch, de Here heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin;
misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai.
En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar de Egyptische, haar slavin,
nadat Abram tien jaar in het land van Kanaän gewoond had, en gaf haar
aan haar man Abram tot vrouw. En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger;
toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres
verachtelijk in haar ogen. Toen zeide Sarai tot Abram: De krenking mij
aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot
gegeven, en nu zij ziet dat ze zwanger geworden is, ben ik verachtelijk
in haar ogen; de Here doe recht tussen mij en u. En Abram zeide tot
Sarai: Zie uw slavin is in uw macht; doe met haar wat goed is in uw
ogen. Toen vernederde Sarai haar, en zij vluchtte van haar weg.
En de engel des Heren trof haar aan bij een waterbron in de woestijn,
bij de bron aan de weg naar Sur. En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai,
vanwaar komt gij |
en
waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres
Sarai. En de Engel des Heren zeide tot haar: Keer naar uw meesteres
terug en verneder u onder haar hand. En de Engel des Heren zeide tot
haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de
menigte niet geteld kan worden. Voorts zeide de Engel des Heren tot
haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem
Ismaël noemen, want de Here heeft naar uw ellende gehoord. Hij zal een
wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand
van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwe van al zijn broederen
wonen. Toen noemde zij de naam des Heren, die tot haar gesproken had:
Gij zijt een God des aanziens; want zeide zij, heb ik hier ook omgezien
naar Hem, die naar mij ziet? Daarom noemt men die put:
Lachai-Roï; zie hij is tussen Kades en Bered.
En Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar
gebaard had, Ismaël. En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar
Ismaël aan Abram baarde. |
|
|
|

|
|
|
|
Om te vergelijken:
Hagar en Ismaël, een verhaal uit Genesis 21 (NBG) |
|
|

|
|
|
En het
kind (Izak) groeide op en werd gespeend, en Abraham richtte een grote
maaltijd aan op de dag dat Izak gespeend werd. Toen zag Sara, dat de
zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte, en
zij zeide tot Abraham: jaag die slavin met haar zoon weg, watn de zoon
van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Izak. Dit nu mishaagde
Abraham zeer terwille van zijn zoon. Maar God zeide tot Abraham: Laat
dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jongen en om uw slavin; in alles
wat Sara doet, moet gij naar haar luisteren, want door Izak zal men van
uw nageslacht spreken. Maar ook de zoon van de
slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is.
De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, en gaf het
aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond
haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn
van |
Berseba.
Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder één
van de struiken, en ging op een afstand zitten, zo ver als een boogschot
reikt, want zij zeide: Ik kan het sterven van mijn kind niet aanzien.
Terwijl zij op een afstand zat, verhief zij haar
stem en weende.
En God hoorde de stem van de jongen, en de Engel Gods riep van de hemel
tot Hagar en zeide tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God
heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is.
Sta op, neem de jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem
tot een groot volk stellen. Toen opende God haar ogen, en zij zag een
waterput; zij ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken. En
God was met de jongen en hij groeide op; hij ging in de woestijn wonen
en werd een boogschutter. En hij woonde in de woestijn Paran, en zijn
moeder nam voor hem een vrouw uit het land Egypte. |
|
|
|

|
|
|
|

|
|
Pentekening van Rembrandt van Rijn uit
de 17e eeuw: De engel wijst de wanhopige Hagar op de bron.
Links ligt Ismaël onder een struik te slapen |
|
  |
|
|
Terug naar de
Islamlezing
Naar de kerkenwerkpagina van de Michaëlkerk
Naar de beginpagina
|
|