Over kerkmuziek gesproken(2)

   

Reformatie en Kerklied

terug naar Johanneskerkenwerk
terug naar de Beginpagina

Inleiders: kerkmusici
Dhr. W. Krist en Mw. M. Blakenburg
op 15 oktober 2002

   
De Reformatie Luther
Het belangrijkste effect van de Reformatie is dat de liturgie weer wordt teruggeven aan de gemeente. Voor die tijd moest de gemeente genoegen nemen met het bijwonen van de mis. Nu wilden de Reformatoren meer deelname van de gemeente aan de eredienst.
De hele gemeente moet God loven. Daardoor werd het accent van het zingende koor verlegd naar de zingende gemeente. (wat betreft Luther en Calvijn, bij Zwingli ligt dit anders).
Dat heeft ook gevolgen voor de vorm van de muziek. Zong men eerst voornamelijk polyfonisch, dat wil zeggen: De verschillende stemmen hebben een eigen melodie en ook een eigen tekst. In de Reformatie kan dat niet meer. De liederen krijgen een eenvoudige vorm die gemakkelijk is te onthouden met een verstaanbare tekst die in de eigen landstaal gezongen kan worden. Daarvoor keek men naar het volkslied: strofen met een melodie die telkens wordt herhaald en een vaste ritmische opbouw heeft.
Luther zong graag en veel
Hij pleit voor een volkse manier van zingen. Ook de voorganger moest kunnen zingen.
Cantorij en orgel zijn belangrijk in de eredienst.
Hij ziet niet zoveel verschil tussen de wereldlijke en kerkelijke sfeer. Luther berijmde  7 psalmen en maakte 29 NTische liederen.

Calvijn
Calvijn zorgde ervoor dat er (psalm)muziek kwam zodat de mensen deel konden nemen aan de liturgie. Hij reorganiseerde de muziekschool bij de kathedraal. Voor huiselijk gebruik diende de psalmmuziek die Goudimel (meerstemmig) maakte.
1539 enkele psalmen en cantiquen.
Calvijn ziet verschil tussen wereldlijke en kerkelijke muziek: Psalmzingen is een openlijke vorm van gebed. Zingen heeft grote kracht. Dan kun je die kracht ook misbruiken. Tekst moet gedragen en majesteitelijk gezongen worden. Langzaam maar niet slepend.


Maarten Luther
1483-1546


Johannes Calvijn
1509-1564


  Ulrich Zwingli 1484-1531

   

"Luther im Kreise seiner Familie". Een schilderij van G.A. Spangenberg. Waarschijnlijk geeft dit wel een goed beeld van de familie Luther. Links: Katharina von Bora (1499 - 1552). Met haar trouwde Luther in 1525. Tot zijn dood was hij gelukkig getrouwd met haar. Achter de tafel zien we Philippus Melanchton, vriend van Luther. Zo moet Luther ook het kinderlied, gezang 133,' Von Himmel hoch da komm ich her' met zijn gezin gezongen hebben in de Kersttijd. De eerste zeven verzen werden waarschijnlijk door een als engel verkleed kind gezongen, waarna de anderen antwoordden met de overige coupletten vanaf het achtste. Ook zijn naaste medewerker in de muziek, Johann Walter zong menig lied met Luther. Beiden hielden ze ook van meerstemmige muziek.

Zwingli Muziekbundels
Schoonheid hoort bij de opdracht/het offer aan God. En samen zingen klinkt niet mooi. Kan dus niet. Kinderen worden wel met muziek opgevoed.
Motieven
In liederen werd de dogmatiek verwoord. En al zingende ingeprent. Zo zit het in elkaar. Aanvankelijk zong men van wij en ons. In de Middeleeuwen kon dat omdat de mensen zich  een deel voelden van een groter geheel. "Een
Op de nationale synode van Dordrecht 1618/19
worden de 150 psalmen voor gebruik in de liturgie aangewezen. Daar werd al gauw de naam Datheen aan verbonden al was die niet overal even populair. In 1772 werd er in opdracht van de Staten een selectie gemaakt uit verschillende psalmberijmingen. Ook wel "De Statenberijming genoemd"
Al gauw werd er een aanbeveling gedaan voor evangelische gezangen. (want de
vaste burcht is onze God". Dat ging in later tijd verschuiven naar ik en mijn. De eigen geloofsbeleving wordt belangrijker dan de verwoording van het geloof. In de liederen in de 17e eeuw,tijdens het Piëtisme komt die geloofsbeleving sterk naar voren. In diezelfde periode verschuift de betekenis van Jezus als Heer naar Jezus als vriend. Naast de bruidsmystiek is in deze tijd ook het oecumenisch karakter van belang: katholieken, lutheranen en gereformeerden zingen elkaars liederen.
In de 19e eeuw, de tijd van de Romantiek, is er het zingen met het vingertje. Pas op zo zit het in elkaar. Nadruk op de moraal en sentiment. Later wordt dat meer objectief. (vgl Gezang 1)
psalmen vond men te "Joods" en te weinig Nieuw Testamentisch.) Eind 18e eeuw ontstaan dan de proefgezangenbundels. Motieven hiervoor: Het taalgebruik in de bestaande liederen was te archaïsch, de heilsfeiten en de zuivere leer moest bewaard worden.(Mogen we alsjeblieft over Jezus en de opstanding zingen)
1806 Evangelische gezangen.
1866 Goedkeuring van de vervolgbundel.

          

Heden  
Vanaf de tijd van de Reformatie ontwikkelt elke kerk zijn eigen liedbundel(s) Rooms-Katholieken, Oud-Katholieken, Anglicanen, Doopsgezinden,Gereformeerden en Hervorm-den. Na WO II ontstond er in nauwe samenwerking tussen componisten en dichters in 1973 het Liedboek voor de Kerken. Zij zochten naar een goed samengaan van tekst en melodie.
Bezwaren ten aanzien van het Liedboek:
Het is niet voor alle gelegenheden, het spreekt jongeren niet aan. En nieuwe ontwikkelingen zijn er niet in opgenomen.

Liederenbundels die een verdere ontwikkeling zijn na het Liedboek:
1. Zingend Geloven 7delen (ook een deel van kinderliederen). Dit is verbonden met de (oecumenische) traditie van het Liedboek.
2. Liederen van Taizé (een verwantschap met Russisch orthodoxe kerkmuziek gaat samen met teksten die de mensen aanspreken)
3. Evangelisch liedboek (evangelisch-charismatische traditie met onder andere
Opwekkingsliederen, kinderliederen en hebreeuwse liederen - soms overheerst in de opwekkingsliederen het halleluja, het lijden wordt dan nauwelijks verwoord. Het gaat erom zowel het Kyrië als het Gloria te zingen. Er is een ontwikkeling van gemeenschaps-liederen naar ik-liederen.
4. Eva's liedboek, verschillende delen. Liederen gemaakt door vrouwen.
Nieuw: Liedfonds. Mensen (veel vrouwen o.a. Jeannet Delver, Dominicuskerk A'dam,kritisch doorvertaalde traditie) maken teksten waarin de woorden God of Jezus niet meer voorkomen. Wel aansprekend. Hildegard von Bingen is hier bijvoorbeeld een inspirator.
In Groningen is er een groep (o.a. Joke Ribbens) die oratoria maakt.  Dhr. Krist pleit voor een losbladig systeem van liederen. Dan zit je er niet zo aan vast. En niet allemaal hetzelfde. Zodat je ook eens verrast kunt worden als je ergens anders kerkt.
Tot slot wordt er als voorbeeld van een goed kerklied gezang 1 uit het LBK gezongen.
   

Tot slot werd Gezang 1 uit het Liedboek gezongen als voorbeeld van een goed kerklied

 

terug naar Johanneskerkenwerk
terug naar de Beginpagina

Naar de vorige pagina