|
E
R
A
S
M
U
S
een bijbels humanist |
|
1
4 6 9 |
 |
1
5 3 6 |
|
 |
De tijd
waarin Erasmus leeft
Erasmus leeft in een
overgangstijd. Namelijk de
overgang van de Middeleeuwen
naar de Renaissance. Dat
was een tijd waarin grote
veranderingen zich voordeden. De
macht van de paus en de keizer
verbrokkelt. In politiek opzicht
wordt de nationale staat steeds
belangrijker. En de mens zoekt
een terrein van zelfontplooiing
waarin hij op grond van eigen
vrijheid en inzicht zijn leven
inricht, de keuze maakt tussen
goed en kwaad en zich een
waardig individu toont met een
eigen moreel besef. De kerk
wordt in toenemende mate als
bevoogdend ervaren. De
inspiratie voor deze nieuwe
oriëntatie op het leven wordt
met name gevonden in de antieke
beschaving. |

Erasmus leeft in
een tijd van grote veranderingen.
In de ME is de mens gericht
op God en voelt dat hij de
boven natuurlijke genade nodig
heeft om te kunnen leven. In de
tijd van de Renaissance,
ontstaat een splitsing tussen de
religie met een eigen domein en
het natuurlijke leven, waarin
God geen wezenlijke rol meer
speelt en ook de genade niet. |
|
 |
|

In de tijd van
Erasmus gaat de mens zich
oriënteren
op de antieke beschaving |
| Er is een toenemende
interesse in de wereld niet als
een plaats waarin God zijn
heerlijkheid laat zien, maar als
een plaats met een eigen
betekenis. Een plek waar de mens
woont die de aandacht van de
onderzoekende geest opeist. Deze
mentaliteit wordt versterkt door
de opkomst van de derde stand:
de burgerij. Ondernemingsdrang,
werkijver, concurrentie en
machtsvertoon (kapitalisme) zijn
voor de burgerij belangrijke
kenmerken. De kerk blijkt in
veel opzichten niet opgewassen
tegen deze tendensen. De
veruitwendiging van de kerk (overkorst
door vele gebruiken) is eerder
een struikelblok dan een hulp.
Er komen nieuwe bewegingen op om
de kerk te reformeren. In de
theologie is dat het Nominalisme
(met als vertegenwoordiger
Ockham). In de vroomheid is het
de beweging van de Moderne
Devotie (Thomas à Kempis, met
zijn "Navolging van Christus").
Een derde stroming is die van
het Bijbelse humanisme met
Erasmus als belangrijkste
vertegenwoordiger. |
|
 |
|
 |
Zijn leven
Hier schrijft Erasmus zelf over:
Ik ben geboren in Rotterdam.
Mijn moeder was de dochter van
een medicijnmeester uit
Zevenbergen, mijn vader had
heimelijk met haar een
verhouding, in de hoop haar te
trouwen. Hij was van tien broers
op één na de jongste en men
besloot dat een van hen, mijn
vader, aan God gewijd zou
worden.
Je kent de opvattingen van oude
mensen op dat punt. En toen mijn
vader zag dat hij met alle macht
van het huwelijk afgehouden werd,
deed hij wat wanhopigen
gewoonlijk doen: hij ging er
vandoor en schreef onderweg een
brief,met twee handen
samengevouwen en de woorden '
vaarwel ik zal je nooit meer
zien.' Maar intussen was de
vrouw die hij gehoopt had te
trouwen zwanger van mij geworden.
Zelf reisde hij naar Rome, werd
een geleerd man en toen men hem
bedrieglijk had geschreven dat
zijn liefde gestorven was, is
hij uit droefheid priester
geworden. |

Erasmus werd
geboren in bovenstaand huis. Dit
was te vinden in de Wijde
Kerkstraat in Rotterdam en stond
tegenover de Laurenskerk. Eind
19e eeuw werd het huis
afgebroken. Vervolgens werden er
op die plaats een textielpakhuis
en later bioscoop Thalia gebouwd.
Voor het pakhuis werd een
schijngevel gezet waardoor
de herinnering aan Erasmus nog
enigszins werd bewaard. In de WO
II kwam door het bombardement
een einde aan dit alles. De
plaats is nu alleen nog maar bij
benadering vast te stellen. |
|
 |
|

Dit beeld van
Erasmus was tijdens WO II
begraven in de tuin van museum
Boymans. Na de oorlog plaatste
men het op de Coolsingel in
Rotterdam. In 1964 kreeg het een
plaats op het kerkplein bij de
Sint Laurenskerk. Na de
restauratie werd het in januari
1998 opnieuw geplaatst. De stad
Rotterdam is trots op deze
burger.

Dwaas op pelgrimsreis,Lof der Zotheid,
Hans Holbein de jonge
|
Zijn
karakter
Wie
was de mens Erasmus? Bijzondere
eigenschappen van hem waren zijn
grote werklust en zijn
doorzettingsvermogen. Ondanks
ziekte en geldgebrek ging hij
onverdroten door met wat hij
zelf van belang vond. Ten
aanzien van zijn belangrijkste
werken deed hij geen concessies.
Hij was een laatbloeier en zijn
meeste werk ontstond na 1500.
Daarnaast gaf hij nog onderwijs.
Erasmus was gevoelig voor hoe
anderen over hem dachten. En hij
wilde graag zijn gelijk halen.
Soms is hij niet erg duidelijk
in wat hij bedoelt te schrijven.
Hij kon gemakkelijk zeggen: Zo
heb ik het niet bedoeld. Door
deze manier van schrijven
kan hij zich
aan de consequenties van het
geschrevene onttrekken. Tijdens
zijn leven ontwikkelt hij wat
Edward Lee nog tijdens zijn
leven "Erasmiaanse
bescheidenheid " zou gaan noemen.
Zich bescheiden voordoen en
anderen je normen en waarden
opdringen. Dus door zich in
nederigheid superieur te tonen.
Hoewel Erasmus veel vrienden had
was hij toch een eenzaam mens.
Misschien kwam dat omdat hij
zich teveel van hun meningen
aantrok.
Bij het ouder worden krijgt hij
ook vijanden. Zo werd Luther een
vijand van hem. Erasmus zelf
verbaasde zich erover, dat het
afzien van het maken van een
keuze een goede verstandhouding
in de weg ging staan. Door zijn
aard was hij namelijk nogal
irenisch en pacifistisch
ingesteld. Zo duurde het lang
voordat hij stelling nam
tegenover Luther in zijn: De
libero arbitrio, Over de vrije
wil. Dit schreef hij pas in
1524. |
|
|
|
 |
Erasmus
vrouwvriendelijk?
Erasmus schreef in 1503:
Enchiridion militis christiani.
(Het handboekje van de
christensoldaat). Dit kwam tot
stand omdat Erasmus
verontwaardigd was over de
handelwijze van Poppenruyter
tegenover zijn vrouw. Deze man
was opgeklommen van wapensmid
tot wapenfabrikant. Hij
gebruikte ruwe taal en
mishandelde van tijd tot tijd
zijn vrouw. Deze laatste was hem
ontrouw.
Erasmus schreef op haar verzoek
het boekje. Het gaat over het
gedrag van een goed christen.
Een soort lekentheologie en
spiritualiteit. Met als
achterliggende bedoeling om het
gedrag van de wapenmeester te
veranderen. Poppenruyter kreeg
het boekje cadeau. Maar het is
de vraag of hij er ooit in heeft
gelezen.
Op bovenstaande tekening van
Hans Holbein de jonge, is
Erasmus zo geboeid door de mooie
vrouw achter zich, dat hij niet
ziet dat hij op de mand met
appels stapt van een
koopvrouw.(Erasmus is overigens
nooit getrouwd geweest). Aan
deze tekening is een anecdote
verbonden. De schilder Hans
Holbein de jonge, had bij zijn
tekeningen van de Lof der
Zotheid ook een tekening van
Erasmus gemaakt. Toen Erasmus
dit zag, zou hij hebben gezegd:
O als Erasmus er nog zo uitzag
zou hij zeker nog een vrouw
nemen. Een beetje beledigd over
de verborgen kritiek die Erasmus
op zijn tekening leverde, was de
aanleiding voor de tekenaar
bovenstaande tekening van
Erasmus te maken. |
|
 |
 |
|
Hans Holbein de
Jonge, Duits schilder en graveur
(1497-1543) een belangrijke
vertegenwoordiger van de
vroeg-renaissancistische
schilderkunst, schilderde in
1523 dit portret van Erasmus.
Opvallend is de glimlach en het
opschrift op de snede van het
boek: Herculische werken van
Erasmus van Rotterdam. Dit laat
zien hoe Erasmus het schrijven
van zijn werk zelf ervoer. In
1531 noemde een frans theoloog
hem : de Bataafse Hercules. Dit
portret van Erasmus kan
waarschijnlijk wel het meest
indrukwekkende worden genoemd.
Erasmus ironie, scepticisme en
zelfgenoegzaamheid komen op de
portretten van Hans Holbein de
Jonge het beste naar voren. |
Kopergravure van
Albrecht Dürer uit 1526. Een
Duits schilder en graveur
(1471-1528). Het is de man die
de duitse schilderkunst een
goede naam gaf. Hij was een
buitengewoon graveur.
Het latijnse opschrift luidt:
Afbeelding van Erasmus van
Rotterdam door Albrecht Dürer
naar een levende beeltenis
getekend. Het griekse opschrift
betekent zoiets als : Beter
tonen hem zijn werken. Erasmus
was niet erg ingenomen met de
gravure. Hij schreef in het
latijn: Dürer heeft mij
afgebeeld maar het lijkt
helemaal niet) Maar dit komt
omdat de graveur niet over een
recente afbeelding van Erasmus
kon beschikken. Wie goed kijkt
ziet op de gravure een kruikje
met lelietjes van dalen en
viooltjes. Hiermee wenste Dürer
Erasmus een betere gezondheid
toe en meer bescheidenheid. |
|

Erasmus tussen de
grote hervormers van zijn tijd.
Schilderij van Lucas Cranach
(1472-1553) |
Zijn
leven, vervolg
Desiderius Erasmus ( Geert
Geertsz.)werd tussen 1466 en
1469 in Rotterdam geboren. Zijn
opleiding bracht hem eerst naar
Gouda en later naar de
kapittelschool in Deventer en
het internaat van de ' Broeders
des gemeenen levens' In
zijn jeugdjaren leert hij het
latijn. In Deventer komt hij
onder de indruk van Rudolf
Agricola (1444-1485) een eerste
Nederlandse humanist. En
vervolgens naar een
opvanginstituut in 's
Hertogenbosch. In 1492 ontvangt
hij in een klooster bij Gouda de
priesterwijding in de orde van
de Augustijnen. Al spoedig
treedt hij uit het klooster
wanneer hij secretaris wordt van
de bisschop van Kamerijk.
Daardoor doet hij ook zijn
intrede aan het Bourgondische
hof. Hij studeert in Parijs en
later in Engeland bij John Colet.
In Engeland komt hij ook vaak
bij de humanist Thomas More,
auteur van Utopia, aan huis (in
Chelsea), die getrouwd is met
Jane Colet. Colet inspireert
Erasmus om beter Grieks te leren.
Door Colet gaat hij ook in
de benadering van de bijbel niet
meer volgens een scholastisch
systeem te werk. Maar
exegetiseert hij nu de bijbel
meer onbevangen. Het gaat om een
existentiële relatie tot God
waarbij Christus centraal staat
als voorbeeld en bemiddelaar en
de kerk ontdaan is van alle
misstanden. Erasmus hoopte zo de
kerk te kunnen vernieuwen.

Nog een portret
door Hans Holbein de Jonge |

Vanaf 1500 tot
1516 reist Erasmus veel en is
hij afwisselend in Parijs, de
Zuidelijke Nederlanden, Engeland
(van 1511-1514 was hij docent in
Cambridge), Italië (bezocht er
antieke nederzettingen en
schaafde er zijn grieks bij en
in 1506 promoveert hij tot
doctor in de theologie in Turijn)
en Bazel. Dit was toen het meest
culturele deel van Europa. In
Engeland sluit hij vriendschap
met Thomas More en John Colet.
De laatste deelt met hem de
liefde voor de grondtaal van de
bijbel. Zijn roem stijgt steeds
meer. Karel V benoemt hem tot
zijn raadsheer in de Lage Landen,
waardoor hij veel in de
Zuidelijke Nederlanden reist. In
die tijd zou je zo iemand wel
een wereldburger kunnen noemen.
En zo voelde hij zich ook: een
wereldburger, niet gebonden aan
een bepaald land maar zich thuis
voelend in de Europese landen
waar cultuur en humanisme
bloeiden.
De laatste jaren verblijft hij
in Basel. Maar hij verlaat deze
stad als daar de Reformatie
wordt ingevoerd. Tegen het
geweld van de bewegingen die
door Europa varen halen de
ideeën van Erasmus het niet.
Toch verwierven ze veel invloed
en werkten ze inspirerend. |
|
 |
|
Zijn werk |
|
Erasmus uitte zich
in boeken en duizenden brieven.
Hij was een meester in het
herdefiniëren van het
traditionele denken: waar het
leren tot dan hoofdzakelijk
scholastisch was, was hij één
van de eerste om een
wetenschappelijke, filologische
benadering te introduceren bij
het bestuderen van de teksten.
Brieven.
Van zijn brieven zijn er van de
geschatte 20.000 drieduizend
bewaard gebleven.
Adagia en
Colloquia:
pedagogische boeken met de
bedoeling om de traditionele
grammatica's en schoolboeken te
vervangen. Ze zijn bedoeld voor
docenten en studenten.
Zijn belangrijkste werk:
het
Nieuwe
Testament, een
kritische uitgave van het
griekse NT en nieuwe Latijnse
vertaling van de Bijbel,
gebaseerd op Griekse
manuscripten, een aktualisering
van de 1.000 jaar oude tekst van
Hiëronymus, de
Vulgaat.
Vertalingen
van Grieks-Latijnse
auteurs toonden zijn bekwaamheid
om op een delicate manier de
oude teksten te reconstrueren.
De
Lof der
Zotheid geniet
de meeste bekendheid, een werkje
dat hij schreef tijdens zijn
terugkeer uit Italië, een
pamflet hoofdzakelijk gericht
tegen het gedrag van de leidende
klasse en kerkelijke
hoogwaardigheidsbekleders,
waarin hij eveneens de spot
drijft met de menselijke
ijdelheid. Een karikatuur van
zijn tijd en zijn eigen
wetenschapsbeoefening. |
Tekening van
Erasmus in zwart krijt uit 1520.
Op deze tekening van Albrecht
Dürer baseerde Dürer zijn
kopergravure uit 1526. Tijdens
een reis in de Nederlanden
ontmoette Dürer Erasmus vier
keer en maakte toen bovenstaande
tekening.

De dwaas
spreekt. De lof der zotheid
is wel het bekendste boek van
Erasmus. Het werd geïllustreerd
door Hans Holbein de Jonge. |
|
|
|
 |
Erasmus schreef "Paraphrases".
Commentaren op alle boeken van
het Nieuwe Testament met
uitzondering van de Openbaring
van Johannes. De Parafrasen op
de boeken van het Nieuwe
Testament (uitgezonderd de
Apocalyps) behoorden tot
Erasmus' meest geliefde werken.
Onder parafrase verstond hij een
vrije vorm van doorlopend
commentaar, geschreven voor een
breed publiek van lezers die de
Latijnse taal machtig waren. Dit
genre stelde Erasmus in staat om
bij de teksten eigen accenten te
leggen. Zo wordt in de
parafrasen op de Evangeliën
Christus' voorliefde voor armen
en marginalen, voor zwakken en
zondaars sterk benadrukt. Ook de
provocerende aspecten van het
Evangelie krijgen extra aandacht.
De parafrasen op de Evangeliën
zijn opgedragen aan de grote
Europese vorsten: keizer Karel
V, Ferdinand van Oostenrijk,
Hendrik VIII van Engeland en
Frans I van Frankrijk.
Bovenstaand boek is afkomstig
uit de tijd voor 1800.
Opmerkelijk is dat in elk
boekdeel een blad is meegebonden
met de waarschuwing dat de
passages die in het rood zijn
onderstreept verboden zijn door
de Index van 1571; de
stukken die met
zwarte inkt zijn onderstreept
werden dan weer veroordeeld door
de Index van 1640.
Erasmus werkte veel samen met
drukker Johann Froben in Basel.
Kenmerkend voor de produkten van
Froben was de uiterst
doorgedreven typografische zorg.
Hij introduceerde nieuwe
lettertypes en deed een beroep
op grote kunstenaars als Urs
Graf en Hans Holbein de Jongere
voor het ontwerpen van
tekstornamenten. De produktie
van Johann Froben omvat in
totaal meer dan 500 titels. |
|

Erasmus
onderhield veel contacten per
brief. Zijn correspondentie
(3.000 bewaarde brieven van een
geschatte 20.000) bereikten
landen van Polen tot Spanje,
volkeren van koningen tot gewone
klerken (hij beweerde dat hij
soms tot 40 brieven per dag
schreef!).
|

Een dubbelportret
van Erasmus en zijn vriend de
Antwerpse stadssecretaris Pieter
Gilles. Deze twee portretten
werden geschilderd door de
kunstenaar Metsys, die van 1517
-1521 in Leuven werkte. Metsys
schilderde Erasmus een aantal
keren in de trant van de
vroegchristelijke manuscript
illustraties. Hij beeldde
Erasmus als geleerde, schrijvend,
denkend of lezend. Dit
dubbelportret is een geschenk
aan hun gezamenlijke vriend
Thomas More in Engeland. Die er
zeer mee ingenomen is. Het
dubbelportret bestaat niet meer
in de bovengetoonde vorm: het
zijn nu twee portretten. |
|
 |
|
Erasmus wijdde
zichzelf aan:
 | de verdediging
en de zuivering van
het Latijn, de
internationale en
culturele taal van
die tijd, |
 | de herziening
van christelijke
tradities, ter
verdediging van een
duidelijker en meer
menselijke
benadering van de
godsdienst, |
 | de vernieuwing
van het pedagogisch
systeem door het
publiceren van
grammatica's,
verhandelingen over
de opvoeding van
kinderen en door het
oprichten van het 'Collegium
Trilingue' te Leuven. |
|
|

Erasmus, hier op
zijn sterfbed, met Amerbach,
Froben en Episcopius stierf in
Basel in 1536
Geschilderd door Hendrik Albert
van Trigt in 1879 |
|
|
|
 |
|
Uit het nu
volgende stuk uit het voorwoord
van het Nieuwe Testament van
Erasmus blijkt dat hij een
gedreven mens is die graag wil
dat ook het gewone volk de
bijbel leest. Wel schreef hij in
het latijn. En dat is dan weer
een paradox. Dit in
tegenstelling tot Luther die de
bijbel in de volkstaal vertaalde. |
Uit: In
novum testamentum praefationes.
1. Paraclesis. (oproep)
Ik ben het fundamenteel oneens
met hen, die niet willen dat de
heilige Schrift in de volkstalen
wordt vertaald en ook door leken
gelezen kan worden. Alsof
Christus zo ingewikkeld heeft
geleerd dat hij maar net door
een handjevol theologen begrepen
kan worden, en alsof metn de
christelijke religie kan
beschermen, door haar onbekend
te laten blijven. Het mag waar
zijn dat koningen hun geheimen
verbergen, maar Christus wil
uitdrukkelijk dat zijn geheimen
onder het volk bekend worden. Ik
zou wensen dat alle vrouwen het
evangelie lezen, en ook de
brieven van Paulus. Werden deze
maar in de talen van alle volken
vertaald, zodat ze niet alleen
door de Schotten en de
Spanjaarden, maar ook door de
Turken en de Saracenen gelezen
en begrepen konden worden. De
eerste stap is natuurlijk het
begrip. Ook al zullen velen er
om lachen, sommigen |
zullen
het toch vatten. Als toch eens
een boer met de hand aan de
ploeg iets ervan voor zich zong,
als de wever met de zoemende
weversboom er iets voor zich van
zoemde en de reiziger met haar
vertellingen zijn weg zou
verkorten! Dat christenen hun
gesprekken hieraan zouden mogen
aanknopen. We zijn namelijk zo
ongeveer, wat ons dagelijks
spreken is. Iedereen zoeke (begripsmatig)
te bereiken wat hij kan, en uit
te drukken wat hij kan. Wie wat
achter komt hinken moet hem niet
benijden die al verder is en wei
voorop loopt nodige hem uit die
achter hem is, en hij nodigty
liever de navolger uit om niet
te wanhopen. Waarom zouden we de
gemeenschappelijke stand tot
weinigen beperken? Dat is niet
in overeenstemming met het feit
dat de doop allen wordt gegeven,
die tocht niet anders is dan een
eerste aanprijzing van de
filosie van Christus. Evenmin
met het feit dat ook de overige
sacramenten, en ten |
|
 |
| slotte
ook het loon van het eeuwige
leven op gelijke wijze allen
toekomt. Zou dan alleen de leer
beperkt moeten blijven tot hen
die het volk tegenwoordig
theologen en monniken noemt?
Sprekend over hen zou ik willen
zeggen: hoewel ze slechts een
gering deel van de christenheid
uitmaken, dienen zij in hogere
mate dat te realiseren in hun
leven, wat ze horen. Ik vrees
namelijk dat men onder de
theologen zulke vinden kan, die
ver afstaan van dat waar hun
naam voor staat, en die aards en
niet hemels spreken. En onder de
monniken zijn er die de armoede
van Christus en de verachting
voor de wereld meer met hun
lippen belijden, dan dat ze zich
werkelijk van de wereld losmaken.
Voor mij is hij een ware
theoloog, die niet met kunstig
in elkaar gedraaide syllogismen,
maar met de warmte van zijn
hart, door |
zijn gezicht, zijn
ogen en zijn persoonlijk leven
leert dat men de rijkdom moet
verachten, dat de christen niet
op de bescherming van deze
wereld moet vertrouwen, maar
zich geheel afhankelijk dient te
weten van de hemel; dat men geen
onrecht vergelden moet, dat men
de vloekenden moet zegenen, dat
men een goede boloning moet
verdienen, dat men alle goeden
als leden van hetzelfde lichaam
moet liefhebben en op gelijke
wijze verzorgen; dat de bozen
moeten worden verdragen wanneer
men ze niet kan verbeteren. Zij
die van hun have beroofd zijn,
die van hun bezittingen
verdreven zijn, die treuren, die
zijn zalig en niet te beklagen;
ook nu moeten de vromen eerder
de dood verkiezen, omdat die
toch niets anders is als een
overgang |
|
 |
naar
het eeuwige leven.
Als iemand dit en dergelijke
dingen door de Geest van
Christus aangespoord, verkondigt,
inprent, vermaant, hiertoe
uitnodigt en motiveert, dan is
hij uiteindelijk een ware
theoloog, ook al is hij een
agrariër of een textielarbeider.
Als iemand daar met zijn
persoonlijke levenswandel voor
instaat, is hij tenslotte ook
een groot 'doctor'. Op welke
manier de engelen kennen, mag
een ander wellicht zelfs een
niet-christen, fijnzinniger naar
voren brengen, maar om te
bereiken dat we reeds hier, ver
van alle bezoedeling, een leven
als een engel voeren, dat is
tenslotte de opgave van een
christelijk theoloog.
Als iemand nu zijn stem verheft
en zegt: dat is grof en
ongeletterd, zou ik niets anders
willen zeggen dan dat Christus
vooral dit |
grove
heeft geleerd, dat de apostelen
het ingeprent hebben, en dat dit
zo ongeletterde ons zoveel echte
christenen en de lichtende
schare van martelaren heeft
voortgebracht. Deze in hun ogen
ongeleerde filosofie heeft, zo
zeg ik, de hoogste regeerders
van deze wereld, vele rijken en
volkeren onder haar wetten
onderworpen, wat geen enkele
macht van tirannen en geen
enkele filosofische geleerdheid
gedaan heeft gekregen.
Daarbij wil ik het echt niet
verwerpen wanneer men, zo men
dat wil, over deze wijsheid
onder volkomenen spreekt. Het
nederige christenvolk mag zich
echter troosten met de gedachte
dat de apostelen deze
spitsvondigheden, of zij ze nu
gekend hebben of dat alleen
anderen ze |
|
 |
hebben
gezien, zeker niet hebben
geleerd. Ik waag het te beweren
dat wanneer de vorsten in hun
positie zich voor dit 'volkse'
inzetten, de priesters het in
hun preken leerden, de
onderwijzers het hun leerlingen
inbrachten, in plaats vande
geleerdheid die ze uit
Aristoteles en Averroës ontlenen,
dat dan de zaak van het
christelijk geloof niet overal
door permanente oorlogen in
opschudding zou worden gebracht,
dan zouden niet allen meer door
die ongezonde ijver, met rechte
of kromme middelen, ernaar
streven rijkdommen op te hopen,
niet meer zou allerwegen de kerk
en de staat door bittere twisten
worden verscheurd, en tenslotte
zouden we ons niet slechts door
de naam en de riten van hen
onderscheiden, die de filosofie
van Christus niet belijden.
Immers in de volgende drie
standen der mensen is de opgave,
de christelijke religie te
vestigen en uit te bouwen,
verankerd: in de vorsten en hun
plaatsvervangers |
de
magistraten, in de bisschoppen
en hun vertegenwoordigers, de
priesters, en in hen die de
jeugd van kindsbeen af tot dat
alles gewillig maken. Wanneer
deze allen hun eigen besognes op
de achter- grond stellen en van
harte samenwerken in Christus,
dan zouden we in niet al te
lange tijd een echt en zoals
Paulus zegt een waarachtig
christelijk geslacht zien
opstaan, dat de filosofie van
Christus niet slechts in riten
en leerstellingen, maar uit het
hart en in het hele leven
betuigt. Door deze wapenen
zullen de vijanden van de
christennaam sneller gewonnen
worden dan met bedreigingen en
oorlogstuig. Ook als we alle
verdedigingswapens zouden pre-
senteren, zou er geen machtiger
zijn dan de waarheid zelf.
Niemand is Platonist die niet de
boeken van Plato gelezen heeft
en niemand is theoloog, ja niet
eens een christen, die de boeken
van Christus niet heeft gelezen. |
|
  |
|
klik op een
groene knop om naar de pagina
van uw keuze te gaan: |
kopstuk 4 Kierkegaard |
foto's bij de
lezing van Erasmus op 28 januari
2002 |
kopstuk 5
C.S.Lewis |
Beginpagina |
Michaëlkerkenwerk |
kopstuk1 Monica |
kopstuk2
Clara van Assisi |