K o p s t u k k e n 4

Klik op een blauwe knop om te gaan naar de pagina van uw keuze

Beginpagina Kerkenwerkpagina kopstuk 1 Monica kopstuk 2 Clara van Assisi
Kopstuk3 Erasmus Kopstuk3 foto's deelnemers kopstuk 5 C.S. Lewis

Søren  Kierkegaard
(een christelijk existentialist)

Het christendom is  zo ontstellend verdampt in deze wereld,
dat het allereerst nodige is, dat men er weer een nauwkeurige
voorstelling van krijgt. Ook dat is mijn taak geweest.(SK)

  1 8 1 3  

1 8 5 5

 

De tijd waarin hij leeft
Vanaf de tijd van Erasmus (1469-1536)is er een spectaculaire groei van de wetenschappen te constateren. Daardoor ontstaat er een nieuwe kijk op de werkelijkheid. Deze wordt een object in handen van de mens. In de lijn hiervan is de Verlichting in de 18e eeuw te noemen, met als kenmerk afwijzing van geloof en gezag en een onbeperkt vertrouwen in de menselijke rede.  Een gevoel voor en een besef van historie roept de gedachte op dat het ergens naar toe gaat. Tegenover het rationalisme dat op de rede is gebaseerd en niet bijvoorbeeld op de ervaring, komt in de 19e eeuw de Romantiek aandacht vragen voor de diepte van de beleving. Die beleving hoeft niet te wortelen in het christendom. Het kan ook de diepte van de ziel of zelfs de volksziel zijn. Parallel met de Romantiek zien we het nationalisme opkomen. Een volk vormt een organisch geheel, dat de waarde van het individu overstijgt. We kunnen zelfs spreken van een Volksgeist (Herder). Het nationalisme ontspringt aan de liefde voor de eigen provincie of land en de eigen taal. Extreme vormen hiervan zijn het fascisme en het nazisme.  
De filosoof Hegel probeert de zin van het menselijk leven in de geschiedenis uit te drukken. Daartoe bouwt hij een groot systeem  waarin de ontwikkeling van het denken vanaf het begin tot het absolute weten, het centrum is. Het christendom maakt deel uit van die ontwikkeling. Dit bouwwerk van Hegel kreeg als tegenhanger Marx met zijn dialectisch materialisme die probeerde de toenmalige
werkelijkheid met de industriële  revolutie en het ontstaan van het proletariaat zuiver materialistisch in kaart te brengen .  Als het gaat om Kierkegaard, dan is het goed om de bovengenoemde tonen van de tijd waarin hij leeft, mee te laten klinken. In deze tijd vormen Frankrijk, Engeland en Duitsland de kernlanden van Europa. En hoewel de Scandinavische landen  een wereld op zichzelf vormen zijn er invloeden van Hegel en Marx, van rationalisme en romantiek merkbaar.
In Denemarken is de Lutherse kerk, staatskerk. Dat betekent onder andere dat de predikanten hun salaris ontvangen van de staat. In 1848 waart er een storm door Denemarken. Het is het jaar van het Communistisch manifest. De nationale beweging in Denemarken keert zich tegen een te sterke invloed vanuit Duitsland. Ook de arbeidersklasse vraagt om aandacht.
Temidden hiervan is Kierkegaard een Einzelgänger te noemen. Hij is niet bij een bepaalde stroming van zijn tijd in te delen. Net als Socrates ontdekte hij dat het absolute niet in objectieve kennis is te vinden. Hij riep  de mensen op om hun ziel niet te verliezen en geen massamens te worden. De prijs voor een oorspronkelijk bestaan is de angst. Alleen een bestaan dat op God is gericht leidt tot een waarachtig bestaan. Je zou Kierkegaard een oorspronkelijk denker, een genie kunnen noemen. Hij wordt wel de vader van het existentialisme genoemd, omdat hij veel nagedacht heeft over het individuele menselijke bestaan. Denken en leven vormen volgens hem één geheel.

Zijn leven

Søren Aabye Kierkegaard, zoon van Michael Pedersen Kierkegaard en Anne  Sørensdatter Lund Kierkegaard, werd geboren op 5 mei 1813 als jongste van zeven kinderen. Vijf van die kinderen stierven voor hun 33e levensjaar. Zijn broer Peter werd later bisschop  in de Duitse Staatskerk. Tragisch is te noemen dat hij op zijn sterfbed bezoek van zijn broer weigert. Van zijn moeder (het was haar tweede huwelijk) weten we weinig. Grote invloed heeft zijn vader op hem gehad: een self-made man, die opgeklommen was tot een vermogend wolhandelaar. Daarmee behoorde hij tot de welgestelde burgerij. Hij was zwaarmoedig en had strenge opvattingen over het christelijke geloof. Het verhaal gaat dat hij lopend op de Jutlandse heide God heeft vervloekt. Het leverde hem zijn verdere leven een schuldgevoel op. Met zijn zoontje speelde hij allerlei situaties na. Zo maakten ze een denkbeeldige wandeling door Kopenhagen.  Daarbij stimuleerde hij de jonge Sören om zijn verbeelding te gebruiken. Iets wat deze later bij het schrijven van boeken zeer goed kon gebruiken.

                 
In de Korsaar beeldde de cartoonist Klaestrup in 1846 SK af met heel dunne benen en de ene pijp van zijn broek langer dan de andere.


        
              De jonge Kierkegaard uit ca 1836

             
                    Kierkegaard als student.
                  Een tekening van David Jacobsen.


Bij zijn theologiestudie zette hij zich sterk af tegen het geloof, waarna hij eerst een ethische en vervolgens een religieuze bekering onderging. Tijdens zijn studie theologie kwam Sören Kierkegaard (SK) in aanraking met werk van Hegel. Hegel, die een briljante wijsgeer genoemd kan worden is een belangrijke vertegenwoordiger van het Idealisme. Later zou deze Hegel zijn grote tegenstander worden. Tegenover de grote systemen die uitgaan van groepen mensen of volken plaatst SK de enkeling. In 1841 promoveert hij met een proefschrift "Over het begrip ironie, steeds gezien in relatie tot Socrates." (Voor een voorbeeld hiervan zie het leesstuk hieronder).
Intussen is hij verloofd met Regina Olsen. Hoewel hij oprecht van haar heeft gehouden verbreekt SK de verloving. Hij doet dit omdat hij de verhouding met haar niet aandurft en bang is dat ze elkaar ongelukkig zullen maken. Dit heeft voor SK alles te maken met zijn roepingsbesef, wat een normaal gezinsleven in de weg zou staan. Om vergelijkbare redenen ziet SK af van een leven als predikant van een parochie. Hij zal de rest van zijn leven schrijver met een missie zijn.  Waarbij hij mensen zou wakker schudden en op nieuwe sporen zou zetten. Zijn grootste conflict heeft hij met de Deense staatskerk die hij ontrouw aan het evangelie verwijt. Dit zal hem tot aan zijn dood toe volgen. Hij leeft van het vermogen dat zijn vader heeft achtergelaten in de stad Kopenhagen. Daar is hij een bekend figuur. Dat hij het mikpunt werd van het 'roddelblad' Korsaar vergroot zijn bekendheid alleen maar. Op 2 oktober 1855 zakt hij op de straat van uitputting in elkaar. Hij sterft op 11 november.
                     

Dat God vrije wezens tegenover zich kon scheppen, is het kruis dat de filosofie niet kan dragen
en waarop het steeds is blijven hangen.


Bisschop Jakob Peter Mynster (1775-1854)
met wie SK goede banden had.


Bisschop Martensen(1808-1884),een Hegiliaans theoloog met wie SK grote moeite had. Deze volgde Mynster op in 1854.

Zoals bij een zending haring de bovenste laag wat platgedrukt en gekwetst is en in een kist fruit het buitenste gekneusd en kapotgedrukt overkomt, zo zijn er ook in elke generatie enkele mensen die boven liggen en door de verpakking worden verbrijzeld om de rest, die meer naar binnen ligt, te beschermen.
Tijdgenoten Aspecten van de mens Kierkegaard
SK heeft goede banden onderhouden met bisschop Mynster, de pastor van zijn vader, maar zal hem later in zijn kritiek op de Deense Staatskerk niet ongemoeid laten. Kritiek heeft hij op bisschop Martensen, opvolger van Mynster en internationaal een bekend hegeliaans theoloog. Hij onderhoudt losse banden met J.L. Heiberg, toneelschrijver en hoogleraar. Uit het contact met hem ontstaat het boekje: "De crisis in het leven van een toneelspeelster." Het is een hommage aan de vrouw van de toneelschrijver.
Grundvigt is een invloedrijke figuur uit de Deense kerk die het accent legt op de Geest in de gemeente, liederen en nationaal bewustzijn. Tot hem bewaart SK een zekere afstand.
  1. Hij was een groot schrijver en heeft ook veel geschreven.
  2. Hij was filosoof en wordt gezien als de geestelijke vader van het existentialisme. Tegenover Hegel met zijn abstracte idealisme en systeembouwerij, stelt hij het belang van de existentie van de mens. De intense beleving van het eigen zijn oefende later invloed uit op existentialisten als Jaspers en Heidegger.
  3. Hij was een getuige van het christelijk geloof. Schreef onder zijn eigen naam "Stichtelijke redenen"
  4. Hij was de grote criticus van de verwereldlijking van de Deense Staatskerk. Misschien ging hij in de aanval hierop aan het einde van zijn leven te ver hierin. (Het ogenblik)

Dit authentieke portret van Søren Kierkegaard uit 1853 werd gemaakt door de lithograaf H.P. Hansen. Elke dag kwam SK tijdens zijn wandeling langs het huis van de lithograaf.

Het hoogste dat een mens vermag is zich door God te laten helpen

Zijn werk Zijn invloed
SK schrijft zijn bekendste wijsgerige werk in en vrij korte periode: 1843-1846. Zijn eerste werk heet Of-of (Enten-Eller). Dit verschijnt in 1843. Zijn laatste grote werk is Einübung im Christentum (1850). Daartussen liggen werken als 'Frygt og bæven' Vrees en beven in 1843, 'Begrebet Angest' Het begrip angst in 1844, Gentagelsen, De herhaling, 'Philosophiske smuler' Wijsgerige Kruimels in 1844, 'Stadier paa livers vei' ('Stadia op de levensweg', 1845) 'Afsluttende uvidenskabelig Efterskrift til de philosophiske smuler' ('Afsluitend onweten- schappelijk naschrift tot de wijsgerige kruimels', 1846) en Ziekte tot de Dood. Hij liet ook een aantal 'Dagboeken' na. Hij gebruikt in zijn boeken heel bewust pseudoniemen zoals Victor Eremita (de in eenzaamheid overwinnende), Climacus en Anti-Climacus. Hij doet dit om bepaalde zijnswijzen te benadrukken, bijvoorbeeld de esthetische, de ethische of de christelijke zijnswijze. Het zijn de stadia die de mens doorloopt. De estheticus verwacht het geluk van buiten af. Hij leeft niet van binnen uit, neemt geen fundamentele beslissingen. Zijn geluk kan zinnelijk zijn (erotisch) of ook geestelijk, maar steeds blijft  hij spelen met mogelijkheden zonder engagement. De visie van de ethicus ligt niet in het verlengde van de estheticus. Deze is alleen bereikbaar door een sprong: het moet namelijk gekozen worden. Deze keuze is niet die tussen goed en kwaad, maar voor een kiezend leven op zichzelf. De ethische mens leeft van binnen uit, verantwoordelijk tegenover zichzelf en anderen. Hij staat voor de oproep van God. Het gaat in het leven niet om objectieve waarheid, want de waarheid is subjectief, het is een keuze. 
Ook tussen de ethische visie en de religieuze is geen continuïteit; ook hier moet een sprong gemaakt worden. Kierkegaard onderscheidde twee soorten religiositeit. Religiositeit A is godsdienstigheid in het algemeen, terwijl religiositeit B een persoonlijke beleving van het christendom vertegenwoordigt. Bij B kan de weg van Socrates, het bevragen van zichzelf niet langer bewandeld worden. Pas in de ontmoeting, de confrontatie met Christus komt het tot een overgave, een verliezen van zichzelf.

De bedoeling van personen als Climacus (SK gebruikte zo'n 20 pseudoniemen)is niet om Kierkegaards eigen opvattingen weer te geven, maar om de lezer te prikkelen met bepaalde zienswijzen.
Kierkegaard stelde in zijn werk de existentie centraal: het in eigen verantwoordelijkheid kiezen en handelen. Aanvankelijk bleven de roem en invloed van Kierkegaard zeer beperkt, doordat zijn oeuvre slechts in het Deens toegankelijk was. Zijn werking is eigenlijk pas goed op gang gekomen in de twintigste eeuw: hij geldt als een van de grondleggers van de existentiefilosofie. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd hij algemeen als baanbreker van het Existentialisme beschouwd. Toch sluit zijn denken in vele opzichten aan, en zet zich af tegen, de filosofie van de vroege negentiende eeuw. Zijn prikkels tot filosoferen ontleende hij aan zijn afkeer van abstracte systeembouwerij zoals die van Hegel. Hegel wilde alle tegenstellingen opheffen in een hogere synthese. Daarmee werd de werkelijkheid tot een object, tot iets wat een mens koud laat. SK zocht naar een subjectieve relatie met de werkelijk- heid. Zo eindigt zijn boek Of, of met:  ‘Vraag jezelf, en blijf jezelf vragen, tot je het antwoord vindt; (¼) pas de diepe innerlijke bewogenheid, pas de onbeschrijfelijke ontroering van je hart, pas die overtuigt je ervan dat de kennis die je deelachtig bent geworden je ook toebehoort, dat geen macht je die kan afnemen; want alleen de waarheid die opbouwt is waarheid voor jou.’
Als een van de weinigen van zijn tijd zag hij hoe het gevestigde christendom vastliep in objectiveringen en aanpassingen aan de tijdgeest. Voor hem was christen zijn op deze manier niet mogelijk. Daarom zocht en vond hij zelf een weg als christen. Daarbij was niet de massa maar het individu voor hem belangrijk.

               
                SK getekend in 1838 door zijn
                  neef Niels Christian Kierkegaard

Elk natuurfenomeen maakt de mens rustig en wel des te meer naarmate men het langer beschouwt of er langer naar luistert. Ieder kunstmatig product hitst het ongeduld op. De voorschriften voor een vuurwerk zullen straks wel worden, dat alles in vijf minuten moet worden opgestookt, hoe korter hoe beter. Maar het suizen van de wind en de wisselzang der golven, het fluisteren van het gras enzovoorts, wint alleen maar aan zeggingskracht elke vijf minuten, dat men langer luistert.


Een tekening van W. Marstrand
laat SK zien op een wandeling


In 1870, 15 jaar na de dood van SK
maakte W.Marstrand deze tekening

Kierkegaards graf met de volgende inscriptie op zijn verzoek zij het in het Deens:

A little time and I have won.
Then all the strife at once is done.
Then I may rest in valleys sweet,
Continually with Jesus speak.
(H.A.Brorson. Trans. by Ann R. Born).

Uit tweede deel, hoofdstuk I, 'bijlage'

Kierkegaard gaat duidelijk maken dat 'zonde'(waar hij in dit tweede deel over schrijft) een begrip is, dat alleen zin heeft, wanneer het menselijk leven zich afspeelt 'voor God'. Hij stelt dat dit in feite een ergernis inhoudt)(namelijk dat 'voor God' zijn. Tegelijk is dat ook een hele eer, dat dat kan).
'Waar ligt nu de mogelijkheid van de ergernis? Hierin, dat een mens deze werkelijkheid is: dat hij als enkele mens voor God bestaat, en dus ook hierin, dat de zonde van de mens God raakt. De speculatie(het abstracte denken) krijgt deze werkelijkheid van de enkele mens 'voor God' niet klein. Zij vervluchtigt de enkele mens door die op te lossen in het menselijke geslacht.(...)
Stel voor, er is een machtige keizer, en die krijgt plotseling een inval om een bericht aan een arme dagloner te sturen, een man 'in wiens hart het nooit opgekomen is' dat de keizer van zijn bestaan op de hoogte was, een man die zich al onbeschrijfelijk gelukkig zou prijzen wanneer hij de keizer ooit zou zien, een gebeurtenis die hij, wanneer deze zich zou voordoen, zijn kinderen en kleinkinderen
als de belangrijkste gebeurtenis van zijn leven zou vertellen, stel nu  voor dat de keizer hem zou laten weten dat hij hem zou laten weten dat hij hem als zijn schoonzoon zou wensen: wat dan? Dan zou de dagloner naar menselijke maatstaven een beetje of erg verlegen worden, hij zou erdoor bevangen en getroffen worden, het zou hem als uitzonderlijk voorkomen, als iets idioots, waar hij met geen mens over zou durven spreken, omdat hij in zichzelf al in de buurt van de verklaring zou komen, waar zijn buren en omgeving snel mee voor de dag zouden komen, namelijk: dat de keizer hem voor de gek heeft willen houden, zodat de dagloner tot het lachertje van de hele stad zou worden, en dat zijn foto in de krant zou komen en de geschiedenis van diens verloving met zijn dochter op de

jaarmarkt verkocht zou worden. Dat hij de schoonzoon van de keizer zou worden, zou heel snel tot een tastbare werkelijkheid moeten worden, zodat de dagloner er zich empirisch van zou kunnen vergewissen in hoeverre het de keizer ernst was, dan wel of hij de arme man slechts in de maling wilde nemen, om hem voor zijn hele verdere leven ongelukkig te maken en hem ertoe zou brengen zijn leven in het gekkenhuis te beëindigen. Want het 'te zeer' is ter plekke, dat zo gemakkelijk in zijn tegendeel kan omslaan. Een kleine gunstbetuiging, dat zou de dagloner nog kunnen vatten, dat zou begrepen worden in het stadje, door het hooggeëerde publiek, door alle marktvrouwen, kortom van de 500.000 mensen die in die stad woonden -die gezien het inwonersaantal best een grote stad was, maar wat  betreft het begrip voor  het uitzonderlijke een klein stadje - maar dat van 'schoonzoon worden', dat zou teveel geweest zijn. Gesteld nu eens dat het niet om een uiterlijke werkelijkheid zou gaan, maar om een innerlijke, zodat geen enkele zintuig de dagloner tot zekerheid zou kunnen brengen, maar dat het geloof het enige zou zijn, en dat alles dus van het geloof af zou hangen, of hij genoeg nederige moed zou hebben het te geloven (want brutale moed kan het niet tot 'geloven' brengen), hoeveel dagloners zouden er dan zijn die deze moed zouden hebben?  Wie het echter aan deze moed zou ontbreken, die zou zich ergeren;  het buitengewone zou hij beschouwen als een bespotting. Hij zou wellicht zo eerlijk zijn toe te geven: zoiets is voor mij te hoog, ik kan het niet vatten, het is voor mij,om maar open kaart te spelen, een dwaasheid.

En nu het christendom! Het christendom leert, dat deze enkele mens, en zo elke enkele mens, wat hij nu ook is, man, vrouw, dienstmaagd, minister, koopman, kapper, student enzovoorts, dat deze enkele mens er voor God is, deze enkele mens die wellicht trots zou zijn ooit een keer met de koning gesproken te hebben, deze mens die zich er heel wat van voorstelt met die of gene op vertrouwelijke voet te leven, deze mens is voor God, hij kan met God spreken op wat voor tijd hij wil, hij mag zeker zijn door Hem gehoord te worden, kortom, deze mens wordt aangeboden op de meest vertrouwelijke voet met God te leven! Verder komt God voor deze mens, en dat nog wel vanwege diens schuld, op aarde, laat zich geboren worden, lijdt, sterft; en deze lijdende God vraagt en smeekt bijna de mens deze hulp toch aan te nemen, die hem wordt aangeboden. Waarlijk als er nu toch iets is om je verstand bij te verliezen, dan toch dit wel.  Ieder die niet de nederige moed heeft om te geloven, ergert zich eraan. Maar waarom ergert hij zich? Omdat het te hoog voor hem is, omdat hij het niet kan begrijpen, omdat hij hier de vrijmoedigheid niet voor kan krijgen, en daarom wil hij het van tafel hebben, wil het vernietigen als dwaasheid en onzin, want het is alsof het hem wil verstikken.
Want wat is ergernis?  Ergernis is ongelukkige bewondering. Het is daarom verwant met jaloezie, maar het is een jaloezie die zich tegen zichzelf keert, letterlijk opgevat:  die zicht tegen het eigen zelf keert. De natuurlijke enghartigheid van de mens kan zichzelf het uitzonderlijke niet gunnen, dat God hem heeft toegedacht. Daarom neemt hij er ergernis aan.

De graad van ergernis is afhankelijk van de mate van hartstocht die een mens heeft met betrekking tot bewondering. Prozaïsche mensen zonder fantasie en hartstocht, die derhalve niet deugen voor echte bewonde- ring, ergeren zich ook wel. Maar ze beperken zich ertoe te zeggen: zoiets kan ik niet vatten, ik laat het voor wat het is. Dat zijn de sceptici. Echter, hoe meer hartstocht en fantasie een mens heeft, hoe dichter hij in zekere zin, als mogelijkheid,eraan toe is, een gelovige te worden - door namelijk aanbidden nederig te worden onder het buitengewone - des te hartstochtelijker is de ergernis, die zich tenslotte alleen nog maar lucht kan verschaffen door deze te vernietigen, uit te wissen, te vertrappen.  Wil men de ergernis begrijpen, dan moet men de jaloezie bestuderen, een studie die ik in het bijzonder aanbeveel, en ik beeld me in, die grondig bedreven te hebben: jaloezie is verborgen bewondering. Een bewonderaar, die merkt dat hij niet gelukkig kan worden, wanneer hij zich eraan overgeeft, kiest ervoor afgunstig te worden tegenover datgene wat hij  bewondert, een niets, iets doms en smakeloos, iets vreemds en overtrokkens. Bewondering is  een gelukkige zelfovergave, afgunst daarentegen een ongelukkige zelfhandhaving.
Zo is het ook met de ergernis; want dat wat men in de verhouding tussen God en mens aanbidding en regel: niets te zeer, te weinig en te veel bederft alles.

Dit wordt tussen mens en mens als wijsheid uitgegeven en ontvangen en gehonoreerd met bewondering:;  de koers ervan daalt niet, de hele mensheid garandeert zijn waarde. Als er tussen hen eens een genie leeft, die daar iets bovenuit gaat, dan wordt hij voor gek verklaard - door de verstandigen. Maar het christendom maakt er een reuzensprong over dit niet te zeer heen tot in het absurde; daarmee begint het christendom en daarmee de ergernis. (In het volgende deel zien we iets van zijn typische ironie)
Men ziet (om toch nog wat buitengewoons over te houden) hoe buitengewoon dom het is het christendom te verdedigen, hoe weinig mensenkennis het verraadt, hoe men, hoewel onbewust, in het schuitje van de ergernis
vaart, wanneer men van het christendom iets zo beklagenswaardigs maakt, dat het uiteindelijk door een verdediging gered moet worden.
Daarom is het wis en zeker waar dat degene in de christenheid die voor het eerst uitvond het christendom te verdedigen, de facto een Judas de tweede is. Ook hij verraadt met een kus, alleen geschiedt zijn verraad uit domheid. Iets verdedigen beteken immers het in diskrediet brengen. (...) Hij die het christendom verdedigt, heeft er nooit in geloofd. Gelooft hij, dan is er de begeestering van het geloof, niet een verdediging. Integendeel, er is een aanval en een zege. Een gelovige is een overwinnaar.

Klik op een blauwe knop om te gaan naar de pagina van uw keuze

Beginpagina Kerkenwerkpagina kopstuk 1 Monica kopstuk 2 Clara van Assisi
Kopstuk3 Erasmus Kopstuk3 foto's deelnemers kopstuk 5 C.S. Lewis

Met dank aan dr. A.J. Plaisier die op maandag 11 februari 2002 over Kierkegaard een lezing en bespreking hield. En die zijn materiaal beschikbaar stelde voor deze website.