Uit tweede deel, hoofdstuk I, 'bijlage'
Kierkegaard gaat duidelijk maken dat 'zonde'(waar hij in dit tweede deel over schrijft) een begrip is, dat alleen zin heeft, wanneer het menselijk leven zich afspeelt 'voor God'. Hij stelt dat dit in feite een ergernis inhoudt)(namelijk dat 'voor God' zijn. Tegelijk is dat ook een hele eer, dat dat kan). 'Waar ligt nu de mogelijkheid van de ergernis? Hierin, dat een mens deze werkelijkheid is: dat hij als enkele mens voor God bestaat, en dus ook hierin, dat de zonde van de mens God raakt. De speculatie(het abstracte denken) krijgt deze werkelijkheid van de enkele mens 'voor God' niet klein. Zij vervluchtigt de enkele mens door die op te lossen in het menselijke geslacht.(...)
Stel voor, er is een machtige keizer, en die krijgt plotseling een inval om een bericht aan een arme dagloner te sturen, een man 'in wiens hart het nooit opgekomen is' dat de keizer van zijn bestaan op de hoogte was, een man die zich al onbeschrijfelijk gelukkig zou prijzen wanneer hij de keizer ooit zou zien, een gebeurtenis die hij, wanneer deze zich zou voordoen, zijn kinderen en kleinkinderenals de belangrijkste gebeurtenis van zijn leven zou vertellen, stel nu voor dat de keizer hem zou laten weten dat hij hem zou laten weten dat hij hem als zijn schoonzoon zou wensen: wat dan? Dan zou de dagloner naar menselijke maatstaven een beetje of erg verlegen worden, hij zou erdoor bevangen en getroffen worden, het zou hem als uitzonderlijk voorkomen, als iets idioots, waar hij met geen mens over zou durven spreken, omdat hij in zichzelf al in de buurt van de verklaring zou komen, waar zijn buren en omgeving snel mee voor de dag zouden komen, namelijk: dat de keizer hem voor de gek heeft willen houden, zodat de dagloner tot het lachertje van de hele stad zou worden, en dat zijn foto in de krant zou komen en de geschiedenis van diens verloving met zijn dochter op de
jaarmarkt verkocht zou worden. Dat hij de schoonzoon van de keizer zou worden, zou heel snel tot een tastbare werkelijkheid moeten worden, zodat de dagloner er zich empirisch van zou kunnen vergewissen in hoeverre het de keizer ernst was, dan wel of hij de arme man slechts in de maling wilde nemen, om hem voor zijn hele verdere leven ongelukkig te maken en hem ertoe zou brengen zijn leven in het gekkenhuis te beëindigen. Want het 'te zeer' is ter plekke, dat zo gemakkelijk in zijn tegendeel kan omslaan. Een kleine gunstbetuiging, dat zou de dagloner nog kunnen vatten, dat zou begrepen worden in het stadje, door het hooggeëerde publiek, door alle marktvrouwen, kortom van de 500.000 mensen die in die stad woonden -die gezien het inwonersaantal best een grote stad was, maar wat betreft het begrip voor het uitzonderlijke een klein stadje - maar dat van 'schoonzoon worden', dat zou teveel geweest zijn. Gesteld nu eens dat het niet om een uiterlijke werkelijkheid zou gaan, maar om een innerlijke, zodat geen enkele zintuig de dagloner tot zekerheid zou kunnen brengen, maar dat het geloof het enige zou zijn, en dat alles dus van het geloof af zou hangen, of hij genoeg nederige moed zou hebben het te geloven (want brutale moed kan het niet tot 'geloven' brengen), hoeveel dagloners zouden er dan zijn die deze moed zouden hebben? Wie het echter aan deze moed zou ontbreken, die zou zich ergeren; het buitengewone zou hij beschouwen als een bespotting. Hij zou wellicht zo eerlijk zijn toe te geven: zoiets is voor mij te hoog, ik kan het niet vatten, het is voor mij,om maar open kaart te spelen, een dwaasheid.
En nu het christendom! Het christendom leert, dat deze enkele mens, en zo elke enkele mens, wat hij nu ook is, man, vrouw, dienstmaagd, minister, koopman, kapper, student enzovoorts, dat deze enkele mens er voor God is, deze enkele mens die wellicht trots zou zijn ooit een keer met de koning gesproken te hebben, deze mens die zich er heel wat van voorstelt met die of gene op vertrouwelijke voet te leven, deze mens is voor God, hij kan met God spreken op wat voor tijd hij wil, hij mag zeker zijn door Hem gehoord te worden, kortom, deze mens wordt aangeboden op de meest vertrouwelijke voet met God te leven! Verder komt God voor deze mens, en dat nog wel vanwege diens schuld, op aarde, laat zich geboren worden, lijdt, sterft; en deze lijdende God vraagt en smeekt bijna de mens deze hulp toch aan te nemen, die hem wordt aangeboden. Waarlijk als er nu toch iets is om je verstand bij te verliezen, dan toch dit wel. Ieder die niet de nederige moed heeft om te geloven, ergert zich eraan. Maar waarom ergert hij zich? Omdat het te hoog voor hem is, omdat hij het niet kan begrijpen, omdat hij hier de vrijmoedigheid niet voor kan krijgen, en daarom wil hij het van tafel hebben, wil het vernietigen als dwaasheid en onzin, want het is alsof het hem wil verstikken.
Want wat is ergernis? Ergernis is ongelukkige bewondering. Het is daarom verwant met jaloezie, maar het is een jaloezie die zich tegen zichzelf keert, letterlijk opgevat: die zicht tegen het eigen zelf keert. De natuurlijke enghartigheid van de mens kan zichzelf het uitzonderlijke niet gunnen, dat God hem heeft toegedacht. Daarom neemt hij er ergernis aan.
De graad van ergernis is afhankelijk van de mate van hartstocht die een mens heeft met betrekking tot bewondering. Prozaïsche mensen zonder fantasie en hartstocht, die derhalve niet deugen voor echte bewonde- ring, ergeren zich ook wel. Maar ze beperken zich ertoe te zeggen: zoiets kan ik niet vatten, ik laat het voor wat het is. Dat zijn de sceptici. Echter, hoe meer hartstocht en fantasie een mens heeft, hoe dichter hij in zekere zin, als mogelijkheid,eraan toe is, een gelovige te worden - door namelijk aanbidden nederig te worden onder het buitengewone - des te hartstochtelijker is de ergernis, die zich tenslotte alleen nog maar lucht kan verschaffen door deze te vernietigen, uit te wissen, te vertrappen. Wil men de ergernis begrijpen, dan moet men de jaloezie bestuderen, een studie die ik in het bijzonder aanbeveel, en ik beeld me in, die grondig bedreven te hebben: jaloezie is verborgen bewondering. Een bewonderaar, die merkt dat hij niet gelukkig kan worden, wanneer hij zich eraan overgeeft, kiest ervoor afgunstig te worden tegenover datgene wat hij bewondert, een niets, iets doms en smakeloos, iets vreemds en overtrokkens. Bewondering is een gelukkige zelfovergave, afgunst daarentegen een ongelukkige zelfhandhaving.
Zo is het ook met de ergernis; want dat wat men in de verhouding tussen God en mens aanbidding en regel: niets te zeer, te weinig en te veel bederft alles.
Dit wordt tussen mens en mens als wijsheid uitgegeven en ontvangen en gehonoreerd met bewondering:; de koers ervan daalt niet, de hele mensheid garandeert zijn waarde. Als er tussen hen eens een genie leeft, die daar iets bovenuit gaat, dan wordt hij voor gek verklaard - door de verstandigen. Maar het christendom maakt er een reuzensprong over dit niet te zeer heen tot in het absurde; daarmee begint het christendom en daarmee de ergernis. (In het volgende deel zien we iets van zijn typische ironie)
Men ziet (om toch nog wat buitengewoons over te houden) hoe buitengewoon dom het is het christendom te verdedigen, hoe weinig mensenkennis het verraadt, hoe men, hoewel onbewust, in het schuitje van de ergernisvaart, wanneer men van het christendom iets zo beklagenswaardigs maakt, dat het uiteindelijk door een verdediging gered moet worden.
Daarom is het wis en zeker waar dat degene in de christenheid die voor het eerst uitvond het christendom te verdedigen, de facto een Judas de tweede is. Ook hij verraadt met een kus, alleen geschiedt zijn verraad uit domheid. Iets verdedigen beteken immers het in diskrediet brengen. (...) Hij die het christendom verdedigt, heeft er nooit in geloofd. Gelooft hij, dan is er de begeestering van het geloof, niet een verdediging. Integendeel, er is een aanval en een zege. Een gelovige is een overwinnaar.
Met dank aan dr. A.J. Plaisier die op maandag 11 februari 2002 over Kierkegaard een lezing en bespreking hield. En die zijn materiaal beschikbaar stelde voor deze website.