Lied van de maand september 2009

 Gezang 290 uit het Liedboek voor de Kerken
Naar de beginpagina
Lied van de maand 2011

   
1 Er is een land van louter licht
waar heilgen heersers zijn.
Nooit gaat de gouden dag daar dicht
in duisternis of pijn.

2 Daar is het altijd lentetijd,
in bloei staat elke plant.
Alleen de smalle doodszee scheidt
ons van dat zalig land.

3 Men ziet het veld aan de overkant
in groene luister staan,
als Israël 't beloofde land
zag over de Jordaan.
4 Maar ach de stervelingen staan
hier huiverend terzij
en durven niet op weg te gaan,
het duister niet voorbij.

5 Hing niet het wolkendek zo zwart
van twijfel om ons heen,
wij zouden 't land zien van ons hart,
dat 't hemels licht bescheen.

6 God, laat ons staan als Mozes hier
hoog in uw zonneschijn,
en geen Jordaan, geen doodsrivier
zal scheiding voor ons zijn.
   

Isaäc Watts

J.W.Schulte Nordholt
Dit Gezang is vrij algemeen bekend. Bij kerkelijke begrafenissen wordt het ook wel gezongen. Minder bekend is de Engelse oerdichter van deze hymn, die in het Nederlands vertaald is door de dichter Jan Willem Schulte Nordholt (1920-’55). Zijn naam is Isaac Watts (1674-1748). Van zijn hand staan nog enkele hymn-teksten in het Liedboek voor de Kerken, zoals ‘When I survey the wondrous cross’ (Gezang 192), ‘Jesus shall reign where’er the sun’ (Gezang 281), ‘O God, our help in ages past’ (Gezang 397) en ‘Give me the wings of faith to rise’ (Gezang 438), in vertaling uiteraard, maar allen zeer geliefd bij het zingende kerkvolk! In Engeland wordt Isaac Watts gezien als de eerste grote hymnedichter. De manier waarop hij zijn hymns vorm en inhoud gaf was een inspiratiebron voor de dichters na hem. Dit Gezang is betiteld door Watts als ‘A prospect of Heaven makes Death easy’ (= ‘Een verwachting van de hemel maakt het makkelijk voor de dood’). De tekst van dit Gezang is het tegenovergestelde van somberheid, donkerte, zoals

 

 Mozes vlak voor zijn dood van Jahweh het beloofde land mocht zien vanaf de top van de berg Pisgah (zie Deuteronomium 34, 1-5). Dat land is zo mooi, daar is altijd lentetijd! (strofe 3). Maar de tot sterven gedoemde mensen durven niet op weg te gaan, ‘het duister niet voorbij’. De vertaalde laatste strofe sluit af met de volgende woorden: ‘God laat ons niet als Mozes hier / hoog in uw zonneschijn, / en geen Jordaan, geen doodsrivier / zal scheiding voor ons zijn’. Zie ook Openbaringen 21, 22b-26.

Wat de melodie betreft. Engelse kerkliederen die ook in ons Liedboek staan hebben haast allemaal een naam boven de noten. Deze melodie luistert naar de naam Mendip. Dat is ook de naam van een landstreek in de Somersetomgeving; naar het oordeel van Isaac Watts een liefelijk land.

Herman Stokmans

   

 

   

Lied van de maand oktober 2009

Gezang 307 uit het Liedboek voor de kerken ‘Vergeef, o Heer….’
Naar de beginpagina

   
1  Vergeef, o Heer, dat duizendvoud
ons stem en steen gescheiden houdt,
dat elk zijn eigen godshuis bouwt.

2  Vergeef het. Kome nu de tijd
dat U één huis wordt toegewijd
van alle mensen wijd en zijd.
 
3  Dan wordt het grote lied gehoord
de wereld door met één accoord
dat Christus prijst, het hemels woord.

4  Hoor hoe van land tot land het snelt,
één hoop, geloof en liefde meldt
en Jezus' naadloos kleed herstelt.
   

J.G.Whittier

J.W.Schulte Nordholt
De dichter John Greenleaf Whittier werd in 1807 geboren als zoon van arme boerenouders in de staat Massachussetts van de Verenigde Staten van Amerika (USA). Hij groeide op in de harde natuur. Tijdens zijn leven was hij lid van the Relgious Society of Friends (de Religieuze Societeit van Vrienden) ook wel Quakers genoemd, die nu nog over de hele wereld aanhangers hebben. Op internet staat bijv. over de Quackers te lezen dat zij proberen mensen tot elkaar te brengen om verzoening, gerechtigheid en vrede te bevorderen.

Onder de dichters van het Liedboek voor de Kerken is Whittier de enige Amerikaan. Zelf

zegt hij dat hij geen gezangendichter is omdat hij a-muzikaal is. Door het geloof kwam hij

in aanraking met de Abolitionisten, die ijverden voor de afschaffing van de slavernij, wat in 1863 onder president Abraham Lincoln bewerkstelligd werd. Whittier schreef ook vele lange verzen tegen de slavernij. Tegen zijn verwachting in werden fragmenten uit zijn politieke poëzie door anderen gekozen om in liedbundels opgenomen te worden.

 

In het Liedboek voor de Kerken is ook de tekst van Gezang 483 van zijn hand. Beide vertaald door J.W.Schulte Nordholt. Wat de tekst van Gezang 307 betreft heeft de techniek die toegepast werd door Whittier, om te komen tot deze tekst, veel weg van het maken van een lappendeken. Van een veel grotere bestaande tekst maakte hij gebruik om d.m.v. knippen en plakken deze liedtekst samen te stellen. De inhoud daarvan heeft te maken met dat ieder mens zijn of haar eigen godshuis bouwt. De dichter hoopt vurig dat eens de tijd zal komen dat alle mensen wijd en zijd onder Jezus’ naadloos kleed kunnen schuilen! John Greenleaf Whittier overleed in 1892.

De melodie van dit Gezang is van de hand van Gerben Baay (1929). Hij componeerde ook de melodie voor Gezang 28 : ‘Wij hebben een sterke stad’, evenals de tekst een sterke melodie!

Wat Baay bereikt heeft met de melodie van 307 is wat de Duitsers noemen: ‘komponiert aus einem Guss’, d.w.z. dat hij deze ‘uit één stuk’ gevormd heeft. Wat wil je als je als componist maar voor drie korte regels een melodie moet maken! Gerben Baay heeft haar één grote spanningsboog meegegeven!

Herman Stokmans.

   

 

Lied van de maand november 2009

Gezang 301 uit het Liedboek voor de kerken‘Wij moeten Gode zingen. Halleluja’.
Naar de beginpagina

 
1  Wij moeten Gode zingen,
halleluja,
om alle goede dingen,
halleluja,
al zijn wij vreemdelingen
in schande en in scha,
Gij zendt uw zegeningen
halleluja.

2  Hij schenkt de levensadem,
Hij geeft de levensgeest,
in schande en in schade
is Hij nabij geweest,
aan al wie Hem aanbaden,
aan ieder die Hem vreest,
komt Hij, de Heer, te stade,
de minsten allermeest.

3  Al leeft uw volk verschoven
kyrieleison,
in 't land van vuur en oven,
in 't land van Babylon,
al is de hemel boven
voor mensen doof en stom,
nog moeten wij U loven
met stem en fluit en trom.
4  De lier hing aan de wilgen,
misericordia,
God zal ons niet verdelgen,
aan God zij gloria.
Zijn woord zal ons genezen,
halleluja,
zoals het was voor dezen
in Galilea.

5  Wij moeten Gode zingen
halleluja,
de Heer van alle dingen
die leeft in gloria,
met alle stervelingen,
niets komt zijn eer te na,
wij moeten Gode zingen
halleluja.
   
  tekst Willem Barnard
De tekst is van de hand van Willem Barnard (1920), ‘de éminence grise’ ofwel de nestor van de Nederlandse dichters. De melodie van Willem Vogel, van hetzelfde bouwjaar als Barnard, is eerder ontstaan dan waarop de dichter zijn tekst gebaseerd heeft. Deze tekst zit vol met bijbelse en semi-liturgische aanduidingen. Zoals in de Psalmen vaak wordt georeerd: ‘De Heer hoorde mij - rampen omgeven mij - Gij zijt mijn hulp, mijn bevrijder’, zo ook in dit lied dat gaat van ‘halleluja’ naar ‘kyrieleis’ en van ‘misericordia’ naar ‘leven in gloria’.

De ballingschap ( ‘in’t land van vuur en oven, in’t land van Babylon’) - denk aan het verhaal over de drie jongelingen in Daniël 3 - is in dit lied de echo van alle ellende (ellend = vreemd land): ‘al zijn wij vreemdelingen in schande en in scha’. ‘Al leeft uw volk verschoven, nog moeten wij U loven met stem en fluit en trom’ (zie strofe 3).

Strofe 4 begint met: ‘De lier hing aan de wilgen …’ (zie Psalm 137: 2) herinnert aan het verstommen van het lied in de babylonische ballingschap van het volk Israël. Tekstueel begint en eindigt 301 met de woorden: ‘Wij moeten Gode zingen. Halleluja…’, als omlijsting (zelfs in strofe 5 in de eerste en laatste regel). Het zinsdeeltje ‘te stade’is een plechtige uitdrukking van ‘íemand te hulp komen’. Gezang 301 begint en eindigt met een drievoudig Halleluja. In strofe 5 staat nog: ‘niets komt zijn eer te na…’, d.i. niets kan de eer van God kapot maken.

De melodie heeft een eenvoudige structuur; het gaat steeds met twee regeltjes verder.

 Herman Stokmans.

   

   

Lied van de maand december 2009

Gezang 67 uit het Liedboek voor de kerken  'God zij geloofd uit alle macht'
Naar de beginpagina

   
1  God zij geloofd uit alle macht,
Hij komt zijn volk bevrijden
en heeft aan Israël gebracht
verlossing in zijn lijden.
Hij heeft zijn teken opgericht:
verheffing van het aangezicht
voor heel het huis van David,
zoals voorlang geschreven stond
heeft Hij gedacht aan zijn verbond,
zo doet Hij ons herleven.

2  Bevrijding uit de vijandschap
de hand van die ons haten,
gelijk Hij eens gezworen had
Abraham onze vader,
opdat wij in rechtvaardigheid
de Here God zijn toegewijd
ons leven lang op aarde,
Zo zult gij voor de Heer uitgaan,
een stem die Hem de toegang baant:
bereidt Hem alle wegen!
3  Gij zijt de stem der profetie
sprekend van mededogen,
want eens zal ieders oog Hem zien:
de opgang uit den hoge.
Gezegend zij de dageraad
het licht dat weldra schijnen gaat
voor wie in duister kwijnen.
Hij zal de schaduw van de dood
beschamen met zijn morgenrood.
Op aarde daalt de vrede!
 
   
  tekst Willem Barnard

In het 1977 verschenen ‘dagboek bij het liedboek’(uitgave Kok, Kampen) hebben twaalf dominees en een radioman voor alle dagen van het jaar (365) hun licht laten schijnen over de Psalmen en Gezangen van het Liedboek, dus ook over Gezang 67 (besproken door ds. A. Th. Rothfusz). Uit die bespreking wil ik een paar zinnen citeren: ‘Wij gaan een nieuw kerkelijk jaar binnen. Bij de ingang staat een oude priester te zingen nadat hij met stomheid geslagen was (lees Lucas 1, 57-79). En dan breekt het los:’God zij geloofd uit alle macht’. Hij staat er met een zegenend gebaar, daar is hij priester voor’. Zacharias is zijn naam. Om wat voor ’n reden staat deze priester te zingen? Hem en zijn vrouw Elisabeth (beiden op vergevorderde leeftijd) zijn door de engel Gabriël een zoon aangezegd. Zijn naam zal Johannes zijn (later de wegbereider van Messias Jezus). Zacheus geloofd Gabriël niet. Het gevolg daarvan is dat hij tot de dag dat Elisabeth hun zoon zal baren geen woord zal kunnen uitbrengen (lees verder Lucas 1, 11-25).

Van de tekst van die lofzang van Zacharias  (zie Lucas 1, 68-79) heeft Willem Barnard een tekst voorgesteld die hij in de mond van Zacharias heeft gelegd. De structuur van de berijming vertoont een andere indeling dan die van de bijbeltekst. Volgens Barnard is het niet altijd mogelijk binnen een bepaalde strofevorm de bijbeltekst nauwkeurig op de voet te volgen.

De melodie van Gezang 67 is afkomstig uit de Straatsburger Reformatie (16de eeuw). Zij werd gecomponeerd door Wolfgang Dachstein (± 1487-1553), cantor aan de Münster te Straatsburg. Deze melodie draagt ook de tekst van Gezang 187: ‘Daar gaat een Lam’ ( ‘Ein Lämmlein geht’).                                                                                


Herman Stokmans.

   

Lied van de maand januari 2010

Gezang 34 uit het Liedboek voor de kerken  'Om Sions wil zwijg ik niet stil'
Naar de beginpagina

   

Stobäus

melodie: Johann Stobäus 1613               tekst: Jan Wit
1  Om Sions wil zwijg ik niet stil,
maar zal het heil des Heren,
Jeruzalem, met luider stem
lofzingend profeteren;
totdat uw leed gewroken is,
totdat uw licht ontstoken is,
totdat gij straalt in ere.

2  Uw luister gaat als dageraad
voor alle volken blinken.
Gij draagt voortaan een nieuwe naam
die God u toe zal denken.
O kroonjuweel, o donkre gloed,
o kleinood Gods dat flonkren moet
met glans die Hij zal schenken.

3  Zoals een maagd die wordt gevraagd
is Sion opgetogen.
Zoals een bruid haar man verblijdt,
zal zij de Heer verhogen.
Haar land zal niet verlaten zijn,
't zal bruiloft in haar straten zijn,
en lente in haar hoven.
4  Rondom de muur wordt ieder uur
Gods wachtwoord doorgegeven.
Zo is de tijd die nu verstrijkt
met zijn geheim doorweven.
Gun u geen rust bij dag en nacht,
totdat door Gods gezag en macht
Jeruzalem mag leven.

5  Dan wordt uw ooft niet meer geroofd,
geen oogst gaat meer verloren.
Dan zult gij staan met most en graan
in 't huis, door God verkoren.
De zaaier eet de vrucht van 't land.
Dit heeft God bij zijn rechterhand
aan Israël gezworen.

6  Ruim baan, ruim baan! Gods volk mag gaan
naar 't land van melk en honing.
Trekt voort, trekt voort! gaat door de poort
van zijn verheven woning.
De volken zien uw heilig spoor,
zij volgen het en neigen voor
de standaard van uw koning.
   
Voor de eerste maand van het nieuwe jaar geeft het Oecumenisch Leesrooster, dat vrij algemeen in de Kerk gebruikt wordt, als Oud-testamentische lezing o.a. een keuze uit Jesajateksten. Daarin komt voor de lezing uit Jesaja 63: 1-5 waarin de profeet zijn vreugde uit over Jeruzalem. De dichter van dit lied Jan Wit (1914-1980), die naar bekend verondersteld blind was, raakte zo in vervoering door de beeldende kracht van dit hoofdstuk, dat hij de hele tekst tot en met vers 12 ‘vertaalde’ in zijn liedtekst, die gloeit en aanspoort in haar taalrijkdom! De woorden van Gezang 34 kunnen worden opgevat als een proclamatie, zoals strofe 6 zegt: ‘Ruim baan, ruim baan! Gods volk mag gaan naar ’t land van melk en honing. Trekt voort, trekt voort! Gaat door de poort van zijn verheven woning!’ Het is de moeite waard om de gehele liedtekst aandachtig door te lezen en/of te spreken! Lees ook de onberijmde tekst van Jesaja 62, 4-5 waar over bruid en bruidegom gesproken wordt, dat terugkomt in strofe 3 van Gezang 34.

De vrolijke, maar ook stoere melodie is gemaakt door Johann Stobadäus (1580-1646), die haar oorspronkelijk plaatste boven een bruiloftstekst. Zinvol is het dat ze nu weer een bruiloftslied draagt. De melodie past uitstekend bij deze sterke tekst van Jan Wit!

Geschreven op Nieuwjaarsdag. Herman Stokmans.

   

Lied van de maand februari 2010

Gezang 172 uit het liedboek voor de kerken  ‘Een mens te zijn op aarde’
Naar de beginpagina

   
1 Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
is leven van genade
buiten de eeuwigheid,
is leven van de woorden
die opgeschreven staan
en net als Jezus worden
die 't ons heeft voorgedaan.

2 Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
is komen uit het water
en staan in de woestijn,
geen god onder de goden,
geen engel en geen dier,
een levende, een dode,
een mens in wind en vuur.
3 Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de dood aanvaarden,
de vrede en de strijd,
de dagen en de nachten,
de honger en de dorst,
de vragen en de angsten,
de kommer en de koorts.

4 Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de Geest aanvaarden
die naar het leven leidt;
de mensen niet verlaten,
Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde
de duivel wederstaan.
   

                                                                 melodie Straatsburg1545

  tekst Willem Barnard

De tekst van Willem Barnard (gebaseerd op Mattheüs 4, 1-11) gaat over de existentie van ons mens-zijn. Elke strofe van dit lied begint met dezelfde twee regels: ‘Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd’. Daarna volgt een opsomming van die existentiële hoedanigheden, zoals dat je je als mens niet moet inbeelden een god onder de goden te zijn, geen engel en geen dier.
Ook dat je de dood aanvaarden moet, de vrede en de strijd, de honger en de dorst, de armoede en de koorts. Ook is het goed om naar elkaar om te zien en Gods Woord te onderhouden, zó dat je je kan wapenen tegen de duivel, om net als Jezus te worden die ’t ons heeft voorgedaan.

Wat de melodie betreft (dezelfde als bij Psalm 128 van ons Liedboek)
is men geneigd de rusttekens over te slaan. In het begin horen wel 2 x 2
regels bij elkaar met een rust in het midden. Onduidelijk is het dat in
het verdere verloop van de melodie na de regels 5, 6 en 7 wel een
rust is voorgeschreven!

P.S. Gezang 489 is ten opzichte van 172 toch ook een eye-opener!

Herman Stokmans.

 

Lied van de maand maart 2010

Gezang 184 uit het liedboek voor de kerken  'Met de boom des levens'
Naar de beginpagina

melodie Ignace de Sutter

tekst Willem Barnard
1  Met de boom des levens
wegend op zijn rug
droeg de Here Jezus
Gode goede vrucht.
Kyrie eleison,
wees met ons begaan,
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan.

2  Laten wij dan bidden
in dit aardse dal,
dat de lieve vrede
ons bewaren zal,
Kyrie eleison,
wees met ons begaan,
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan,

3  want de aarde vraagt ons
om het zaad des doods,
maar de hemel draagt ons
op de adem Gods.
Kyrie eleison,
wees met ons begaan,
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan.
4  Laten wij God loven,
leven van het licht,
onze val te boven
in een evenwicht,
Kyrie eleison,
wees met ons begaan,
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan,

5  want de aarde jaagt ons
naar de diepte toe,
maar de hemel draagt ons,
liefde wordt niet moe.
Kyrie eleison,
wees met ons begaan,
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan.

6  Met de boom des levens
doodzwaar op zijn rug
droeg de Here Jezus
Gode goede vrucht.
Kyrie eleison,
wees met ons begaan,
doe ons weer verrijzen
uit de dood vandaan.

In de klassieke liturgie, die al eeuwen lang in de Kerk gebruikt wordt, zijn de laatste twee zondagen vóór dat het Pasen is, de zgn. Passie- of Lijdenszondagen, genaamd: Zondag Judica (‘Verschaf mij recht’, dat zijn de beginwoorden van Psalm 43) en de Palmzondag, die feestelijk kan beginnen met het zingen van ‘Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen’, of het lied ‘O mensen, hoort wat is geschied, het is palmzondag zo ge ziet’ enz., waar elke strofe eindigt met de zin ‘hosanna de Zoon van David’ (tekst en muziek te vinden in ZG 1, 29). In dit lied wordt in strofe 8 gezongen over ‘O ziet, de ezel draagt het Lam! / Dit is de nieuwe Biliam!’ In delen van Zuid-Duitsland was en is het een religieus-folkloristisch gebruik om in  processie een uit hout gesneden verplaatsbare ezel mee te voeren met daarop een eveneens uit hout gesneden en aangeklede levensgroot zittende Jezus. Lees ook Numeri 22, 22-34 en verder Mattheüs 21, 5 over de intocht in Jerusalem. Een belangrijke lezing voor die zondag is Filippenzen 2, 5-11. Daar passen Gezang 97 uit ons Liedboek en Lied 86 uit ‘Tussentijds’ bij, respectievelijk ‘Naam van Jezus die ten dode op het hout geschreven staat’ (W. Barnard) en ’Die rechtens God gelijk komt van de Vader voort’ (H. Oosterhuis). Eigenlijk passen deze liederen, naar mijn mening, beter na de kruisiging van  Jezus op Goede Vrijdag. Maar naar westerse traditie wordt in de dienst op Palmzondag het lijdensverhaal, dat in het evangelie van Mattheüs opgeschreven staat, gelezen (voorgedragen), zie de hoofdstukken 26 en 27. Vandaar dat op de Palmzondag traditiegetrouw de Mattheüspassion van Johann Sebastian Bach (1685-1750) uitgevoerd wordt. Déze ‘Passio Domini nostri J.C. secundum Evangelistam Mattaeum’ (BWV 244) werd de eerste keer uitgevoerd op 15 April 1729 in de Vesperdienst van Goede Vrijdag in de Thomas-Kirche te Leipzig o.l.v. de eigen cantor J.S. Bach. Volgens oudkerkelijke traditie werden successievelijk de Marcuspassie op dinsdag, de Lucaspassie op woensdag en de Johannespassie op Witte Donderdag gelezen en/of gezongen. Bach heeft zijn bijdrage daaraan ook geleverd. Vermoedelijk niet zo bekend is dat in de 20ste eeuw ettelijke passies geschreven zijn. In ons land bijv. door Willem Vogel, Jan Valkestijn en Maarten Kooy. In Duitsland Hugo Distler, Ernst Pepping en Arvo Pärt uit Estland afkomstig.. Bachs grote voorganger als cantor was Heinrich Schütz  (1585-1672), die  elk Evangeliebericht voorzien heeft van een Passionsmusik. Alle zonder instrumentale begeleiding.

Palmezel, Vieringerdorf Duitsland

Eén van de oudste liederen (= Hymnen) n.a.v. de lijdensgang van Jezus is de kruishymne ‘Vexilla regis prodeunt’ d.i. ‘Des konings vaandels gaan vooraan, / ’t geheim des kruises grijpt ons aan’ = Gezang 185 in het Liedboek voor de Kerken. Deze hymne is gedicht door Venantius Fortunatus (ca. 535-609) die ook bisschop is geweest in Poitiers.  Het Gezang bevat een emotioneel beeldende tekst. Het is net of we voor een middeleeuws drieluik staan. In het midden de gekruisigde Christus, daaromheen wapperende vaandels, marcherende colonnes met tromgeroffel, mensenmassa’s. Maar het meest in het oog springend is de boom waarvan sprake is in de strofen 5-7 en 9*.

Wat de melodie betreft heeft het een martiale tweedelige beweging. Het mooiste zou zijn dat de aanwezige zangers in twee groepen na elkaar de hymne doorzingen zonder pauze tussen de strofen om de pas er in te houden! De Latijnse tekst is vertaald door J.W. Schulte Nordholt.

* Ook in de volgende hymne (Gezang 186) wordt in de strofen 8 en 9 over de boom als edelste van alle bomen gezongen. Wat wordt hiermee bedoeld? Kort gezegd: het kruis van Golgotha, wat als een bloeiende boom wordt voorgesteld met takken, bloemen en loof. Het begin en eind van Gezang 184 spreekt (zingt): ‘Met de boom des levens / wegend (doodzwaar) op zijn rug / droeg de Here Jezus Gode goede vrucht’

De bekende Hongaarse componist Franz (Ferencz) Liszt (1811-1886) heeft in zijn ‘Via Crucis’ (1878) de eerste strofe van deze hymne als Praeludium getoonzet. Er zijn 14 zogenoemde staties waarop het lijden van Jezus in muziek op een sobere manier voor koor en piano/orgel is verklankt**. Als u een Rooms Katholieke kerk binnenloopt ziet men in de omgang de geschilderde staties, met Romeinse cijfers genummerd, waarop voorstellingen te zien zijn van de kruisdragende Jezus, ook dat Hij tot driemaal toe op de grond valt, dat Hij aan het kruis genageld wordt, dat Hij spreekt met zijn moeder, dat Hij sterft aan het kruis nadat Hij de woorden uit Psalm 22 uitschreeuwt: ‘Eli, Eli lamma Sabacthani’ (‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’), Jezus wordt van het kruis genomen en in het graf gelegd e.a.
Merkwaardig dat de RK. priester die Liszt ook was, twee onvervalste protestantse koralen als intermezzo toegevoegd heeft, nl. ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ en ‘O Traurigkeit, o Herzeleid’ ( in het Liedboek voor de Kerken de Gezangen 183 en 195, respectievelijk gedicht door de 18de eeuwse dichter Paul Gerhardt. Deze koralen worden door het koor gezongen in de zetting van Johann Sebastian Bach !! Drie keer komt ook de eerste strofe van de hymne ‘Stabat Mater dolorosa’ in deze ‘Via crucis’-partituur voor, over het feit dat Maria zielsbedroefd staat bij het kruis op Golgotha waar haar zoon is
aangespijkerd. Liszt heeft zijn compositie tijdens zijn leven nooit uitgevoerd gekregen. Dat gebeurde pas voor het eerst op Goede Vrijdag van het jaar 1929

 in Budapest ! In de ‘Psalmen en Gezangen voor den Eredienst’ van 1938 vinden wij onder Gezang 44 een sterk verkorte vertaling van het Stabat Mater, die in eerste instantie op het einde van de 13de eeuw gedicht werd. Een bekend Stabat Mater voor twee solostemmen en orkestbegeleiding is die van Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736).

Ook wil ik nog wijzen op de profetische woorden van Jesaja, te lezen in hoofdstuk 53, 3-8 ! Deze gloedvolle woorden zijn o.a. getoonzet door George Frideric Handel (1685-1759) in de ontroerende aria voor altstem en orkest: ‘He was despised and rejected of men’ als onderdeel van ‘The Messiah’. De Duitser Hugo Distler (1908-1942) schreef eind jaren dertig een aangrijpend motet over de genoemde Jesaja-tekst: ‘Führwahr er trug unsre Krankheit’ enz.  voor a-capella-koor. In het Liedboek voor de Kerken is Gezang 179 een uit acht strofen bestaande toespeling op de Jesaja-tekst: ‘Wie heeft op aard de prediking gehoord’ enz.
Ik wil eindigen met de volgende tekst uit Galaten 6, 14 waarvoor de Vlaamse priester Ignace de Sutter de melodie (en de tekstbewerking) gemaakt heeft, deze is opgenomen in de Gezangen voor Liturgie als Gezang 557:

Wij roemen in 't Kruis van de Heer Jezus Christus.
In hem is ons heil, ons leven en verrijzenis,
door wie wij verlost en bevrijd zijn.
God zij genadig en zegene ons,
en dat zijn aanschijn over ons moge lichten.

 Herman Stokmans

** In 1984 is een CD verschenen met daarop de muziek voor de
14 Kruiswegstaties, de ‘Via Crucis’, van Franz Liszt, gezongen
door het Nederlands Kamerkoor met Reinbert de Leeuw als
dirigent en pianist op Philips 416 649-2.
Deze compositie is sober, beklemmend en indrukwekkend. 

NB. ZG    = Zingend Geloven.

 BWV = Bachs Werke Verzeichnis (= Catalogus).

 

Lied(eren) van de maand april 2010 Paastijd
Tussentijds lied 174, Zingt jubilate voor de Heer
 

Naar de beginpagina

Zingt jubilate voor de Heer
hemel en aarde, looft uw Vader
engelen, goeden, mens en dier,
sterren en stenen, jubilate!

Zingt jubilate, dat is goed,
vogels en vissen, licht en watere,
bloemen en bomend, vlees en bloed,
lichaam en ziel, zingt jubilate!
 
Zingt jubilate, voor d Zoon,
dat Hij de hemel heeft verlaten,
dat Hij de zonden heeft verzoend,
Jezus Messias jubilate!

Zingt jubilate , voor de Geest,
offer de vogel Geest uw adem,
dat Hij uw hart met vuur geneest,
weest God indachtig, jubilate!
tekst: Willem Barnard, melodie Frits Mehrtens.
   

Dit keer niet één enkel Lied voor de maand maar twee, omdat zij kleur geven aan deze Paastijd, die loopt van 4 april tot 2 mei. Het gaat in deze tijdspanne om het zingen van de liederen ‘Zingt Jubilate voor de Heer’ (te vinden in Tussentijds Lied 174) en ‘Zing voor de Heer een nieuw gezang’ (Liedboek Gezang 225). Beide liederen zijn voor wat betreft tekst

en melodie (in volgorde) bedacht door Willem Barnard en Frits Mehrtens. Zij zijn ontstaan in de liederenlente van de zestiger jaren in de liturgische kweekvijver van de Maranathakerk te Amsterdam. Het lied ‘Zingt Jubilate voor de Heer’, bedoeld als zondagslied voor Zondag Jubilate (de derde zondag na Pasen) stoelt in eerste aanleg op de onberijmde Psalm 66 en het lied ‘Zingt voor de Heer een nieuw gezang’, bedoeld als zondagslied voor Zondag Cantate (de vierde zondag na Pasen) doet dat op de onberijmde Psalm 98. Beide liederen

vormen een duo, die zoals gezegd kleur geven aan de Paastijd. Zij zijn daaraan niet gebonden. Met gemak kunnen zij het hele jaar doorgezongen worden. Het eerstgenoemde lied is verwant aan ‘het gezang van de drie jongelingen’, dat te vinden is in een grote apocriefe toevoeging van het Boek Daniël, na het gebed van Azarja in hoofdstuk 3. Dan wordt het de verzen 52 – 90 in hetzelfde hoofdstuk Ook hier (in Tussentijds) wordt heel de schepping opgeroepen – mens en dier, sterren en stenen, vogels en vissen, licht en water, bloemen en bomen enz. Het ademt ook de sfeer van het grote Zonnelied van Franciscus van Assisi.

De melodie is (zoals wij dat van Mehrtens gewend zijn) groots en meeslepend!

[Aardig te weten is dat het Vlaamse Liedboek ‘Zingt Jubilate’ als titel heeft!].

   

   

en uit het Liedboek voor de kerken: gezang 225, Zingt voor de Heer een nieuw gezang

   
1  Zingt voor de Heer een nieuw gezang!
Hij laaft u heel uw leven lang
met water uit de harde steen.
Het is vol wondren om u heen.

2  Hij gaat u voor in wolk en vuur,
gunt aan uw leven rust en duur
en geeft het zin en samenhang.
Zingt dan de Heer een nieuw gezang!

3  Een lied van uw verwondering
dat nòg uw naam niet onderging,
maar weer opnieuw geboren is
uit water en uit duisternis.
 
4  De hand van God doet in de tijd
tekenen van gerechtigheid.
De Geest des Heren vuurt ons aan
de heilge tekens te verstaan.


5  Wij zullen naar zijn land geleid
doorleven tot in eeuwigheid
en zingen bij zijn wederkeer
een nieuw gezang voor God de Heer.




 
 

     tekst: Willem Barnard

melodie Frits Mehrtens  

De titel ‘Zingt voor de Heer een nieuw gezang’ heeft als oertekst de latijnse beginwoorden ‘Cantate Domino canticum novum’ d.i. de eerste regel van Psalm 98. De woorden van Gezang 225 zijn niet zo makkelijk te verstaan. Het handelt eigenlijk over de uittocht van de Israëlieten uit het slavenhuis, de Rode Zee door op weg naar het beloofde land, d.i. uittocht, doortocht, intocht. De Heer gaat

 

ons voor ‘in wolk en vuur’. Het is vol wonderen om ons heen. ‘Wij zullen naar zijn land geleid dóórleven tot in eeuwigheid / en zingen bij zijn wederkeer / een nieuw gezang voor God de Heer’. De melodie van dit lied is, zoals bij ‘Zingt Jubilate voor de Heer’, typisch voor Mehrtens en wordt daarom graag door de gemeente gezongen.

Herman Stokmans

 

Lied van de maand mei 2010
Gezang 448
‘Soms groet een licht van vreugde de christen als hij zingt’
tekst W.Cowper, melodie Wales, vertaling J. W. Schulte Nordholt

Naar de beginpagina

   
1  Soms groet een licht van vreugde
de christen als hij zingt:
de Heer is 't die met vleugels
van liefde hem omringt.
Loopt alles ons ook tegen,
Hij zal ons 't goede doen,
Hij geeft na donkre regen
een mild en klaar seizoen.


2  Goddank, wij overdenken
't geheim van onze Heer,
het heil dat Hij wil schenken,
dat nieuw is altijd weer.
Bevrijd van onze zorgen,
begroeten wij de dag
en vrezen niet de morgen,
wat hij ook brengen mag.
3  Hij die met heerlijkheden
de leliën bekleedt,
zal ook zijn kindren kleden,
Hij kent ons lief en leed.
Geen schepsel wordt vergeten,
Hij houdt het al in stand,
die vogels geeft te eten,
Hij voedt ons uit zijn hand.


4  Al zal geen wijnstok dragen,
geen vijgeboom zijn vrucht,
al ligt het veld te klagen
onder een lege lucht,
God doet zijn hand toch open,
zijn lof krijgt stem in mij.
Daar ik op Hem mag hopen,
ben ik alleen maar blij.
   

In de maand mei werd vroeger veel gezongen. Wie kent niet het volksliedje ‘De winter is vergangen, ik zie des meien schijn. Ik zie de bloemkens hangen dies is mijn hart verblijdt’.

De lentetijd is al een poos aan de gang. De bladeren aan de bomen worden steeds groener! De bloemen in de tuinen bloeien als in de Keukenhof! Bekend is het traditionele gebruik van de versierde meiboom, waarvoor een zeer grote boom wordt uitgezocht en opgericht. De Rooms Katholieken hebben in de maand mei hun Mariamaand te vieren met daarbij horende liederen. In ons Liedboek voor de Kerken staat ook een blij lied over de lente, nl. Gezang 425.  Het lied wat voor deze maand is uitgekozen ademt, naar mijn inschatting, dezelfde sfeer. Alhoewel er in alle blijheid toch nog een dipje te bespeuren valt. Zoals in strofe 1, waar staat: ‘Loopt alles ons ook tegen / Hij zal ons ’t goede doen / Hij geeft na donk're regen / een mild en klaar seizoen. En in strofe 4 : ‘al ligt het veld te klagen / onder een lege lucht, / God doet zijn hand toch open, / zijn lof krijgt stem in mij’.

William Cowper (1731-1800), de dichter van deze ‘hymn’, werd tijdens zijn leven gekweld door ups and downs, waar ik verder niet over hoef uit te wijden. Zingen had, zoals wij dat nu zouden zeggen, voor hem een therapeutische uitwerking. Dat blijkt ook wel uit de beginregels (zie boven). Hij zegt dat uit eigen ervaring. Enkele Schriftplaatsen spelen mee in de tekst van dit lied, zoals Mattheus 6, 34: ‘Maak je niet bezorgd over de dag van morgen’ enz. en lees in hetzelfde hoofdstuk de verzen 19 t/m 34 maar eens na en vergelijk dat met
strofe 3.

De melodie is afkomstig uit Wales, dat uit negen graafschappen bestaat. Het gebied heeft een eigen taal. De ‘tune’, d.i. de titel van dit lied heet ‘Llangloffan’ en werd voor het eerst in1865 gepubliceerd. Gezang 448 wordt in de gemeente graag gezongen. Een eigentijdse tekst, m.b.v. deze melodie is: ‘Zolang wij adem halen’ enz., geschreven door Sytze de Vries, te vinden in de bundel TUSSENTIJDS onder liednummer 175.
Herman Stokmans

   

Lied voor de maand juni 2010
Tussentijds Lied 55 ‘Looft de Heer, al wat gemaakt is’
Tekst: Huub Oosterhuis. melodie: 'Nu dyn leven is gedreven'
uit Goddelycke lofsanghen 1620

   

Voor de melodie klik (pdf)

   

Looft de Heer, al wat gemaakt is, prijst zijn Naam,
verheft Hem voor eeuwig, dank voor uw bestaan.
Looft Hem die gezeten is op tronen van gezang.
Zingt als rivieren mee voor God: Hij leve lang.

Storm en aarde, bomen, stromen, zon en vuur,
gij wolken en dromen, nachten dag en duur.
Licht en donker, dood en leven, wereld, mensenzaad,
weest mondig en volmaakt,looft Hem met woord en daad.

Dauw en regen, vorst en koude, ijs en sneeuw,
de slang en de vis, de vogel en de leeuw,
geesten in de hemel en gij mensen met uw stem:
gelooft Hem op zijn woord, dat gij bestaat in Hem.

Looft Hem, ook wie zondigt, looft Hem kwaad en goed.
Looft Hem, die zijn Woord in u mens worden doet.
Looft uw God en Vader, die zijn Geest geschonken heeft.
Looft Hem omdat gij zijt, ja, looft Hem, want Hij leeft.

   

In de liedbespreking van twee paasliederen voor de maand april 2010 waagde ik i.v.m. het lied ‘Zingt Jubilate’ (in Tussentijds 174) een verbinding te maken met woorden uit het gezang van de drie jongelingen in de vuuroven, dat te vinden is in een apocriefe toevoeging van het boek Daniël, hoofdstuk 3, 52-90. Dit lied uit Tussentijds, geschreven door Huub Oosterhuis, is nu écht een weerspiegeling van die tekst uit het Oude Testament. Ook hier komt Sint Franciscus weer even om de hoek kijken. De drie jongelingen zingen,
ongedeerd door de vlammenzee rondom, de natuurelementen toe, zoals daar

 zijn: zon, maan en sterren, wind en wolken, vuur en ijzer, vorst en koude, ijs en sneeuw, nachten en dagen en ook elk gedierte enz. en spoort de elementen, de dieren en de mensen aan de Heer te loven en te prijzen.

De melodie waarop Oosterhuis zijn liedtekst geschreven heeft is van zeer oude oorsprong. Oorspronkelijk hoort zij bij het lied ‘Nu dyn leven is gedreven’ bij een tekst van Justus Harduyn, gedrukt ± 1620 te Gent in de ‘Goddelycke lofsanghen’. Het is een vrolijke dansmelodie (een walsje!).                           Herman Stokmans.                                               

 

Lied voor de maand juli 2010
Gezang 101 ‘Om Christus' wil zijn wij verblijd’
Tekst: Ad den Besten. melodie:
‘Nun jauchzt dem Herren, alle Welt’
van het Duitse Psalmlied 100

 
Het oecumenisch leesrooster voor deze maand geeft ook lezingen op uit de brieven van Paulus aan Timotheüs. Zo komen wij aan het eind van 1 Timotheüs 3 de volgende belijdenis tegen die Paulus ‘zijn geliefd kind’ voorspiegeld: ‘Hij (d.i. Christus Jezus) is geopenbaard in een sterfelijk lichaam, in het gelijk gesteld door de Geest, is verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken, vond geloof in de wereld, is opgenomen in majesteit’. De dichter van dit lied, Ad den Besten, werd zo gegrepen door de inhoud van dit belijden dat hij daar een hymnische vertaling uit getransformeerd heeft. Zelf vindt hij dat zijn eindresultaat eerder een lied ‘bij’ dan ‘naar’ 1 Timotheüs 3, 16 genoemd mag worden.

Bijbelse motieven spelen in deze liedtekst uiteraard mee, zoals in stofe 1 dat God Zijn Zoon in het vlees geopenbaard heeft; in strofe 2 waar het over de Geest gaat; in strofe 3 dat de Zoon ‘aan de engelen verschenen is / in ’t licht van zijn verrijzenis’ en dat Hij inging in de heerlijkheid van zijn Vader’. Daarom zijn wij om Christus wil verblijd !

De melodie die den Besten voor zijn liedtekst gekozen heeft is die van het Duitse Psalmlied 100: ‘Nun jauchzt dem Herren, alle Welt’. Deze melodie heeft een uitgesproken blij karakter, daarom: ‘Om Christus’ wil zijn wij verblijd’.

Herman Stokmans

 

 

Lied voor de maand september 2010
Gezang 58 ‘De schapen alle honderd’
Tekst: Willem Barnard. melodie:
Willem Vogel

 

Dit keer een gezang waarvan de tekst geschreven is door Willem Barnard, die 15 augustus jl. 90 jaar geworden is ! De maker van deze melodie, Willem Vogel, heeft dit jaar dezelfde leeftijd mogen bereiken ! Het werk van beide heren rouleerd al van de zestiger jaren van de vorige eeuw, dus ruim 50 jaar.

Eigenlijk wil ik voorafgaand aan de bespreking van Gezang 58 nog zeggen dat het moeilijk is om een algemeen geldend lied te vinden voor de hele maand. Elke zondag wordt nl. een andere schriftlezing belicht. Deze lezing is voor het oecumenische leesrooster uitgekozen bij het rooster van 12 september a.s. en wel bij Lucas 15, 1-10, over de zorg van de schaapherder die op zoek gaat naar het éne verloren schaap, één van de kudde die uit honderd schapen bestaat.Uiteindelijk vindt hij het terug in de woestijn. Opgelucht en blij legt hij het op zijn  schouders, gaat ermee naar huis en maakt er een feest van met vrienden en kennissen.

Opvallend in de liedtekst is dat in de eerste helft van elke strofe het verhaal verteld wordt.

In de tweede helft spelen de woorden ‘schapen’ en ‘verlaten’ een grote rol. De laatste strofe maakt in de tweede helft duidelijk dat God de goede herder wil zijn van de schapen (dus ook van ons!). NB: en wat zegt Joost van den Vondel in een citaat van Gezang 13 A/B ? ‘Indien mijn geest verstrooi’ en afdwaal’ van de kudde en rechte streke, Hij brengt ze weer te kooi’  (zie strofe 1).

In Ezechiël 34 wordt gesproken over de slechte herders en de goede herder. In dat lange hoofdstuk komt dit duidelijk naar voren. Vanaf vs 23 is te lezen dat David aangesteld wordt als de goede herder en vorst. De tijden veranderen ten goede.

In de melodie is ook een tweedeling te volgen. De eerste helft gaat in rustige stappen voort, de tweede helft is woester van allure, met grote sprongen op- en afwaarts.   

Herman Stokmans

 

 

Lied voor de maand oktober 2010
Tussentijds Lied 109: ‘Zoals ik ben kom ik nabij'
Tekst:
Charlotte Elliot . melodie: Arthur Henry Brown

 

Op de lijst van liedsuggesties m.b.t. het Oecumenisch liedrooster staat voor 31 oktober a.s. o.a. Lied 109 uit ‘Tussentijds’ genoteerd. Op die zondag valt, zoals bekend, de gedenkdag van de (Lutherse) Kerkhervorming. Maar vanuit het oecumenisch leesrooster wordt daarbij niet stilgestaan. Wel zijn we dan in deze Herfsttijd een aardig eind op weg naar de Advent die dit jaar op 28 november begint. Dit lied is niet tijdgebonden, ze kan op elk moment van het jaar gezongen worden. Tekst en melodie stammen respectievelijk uit de eerste en tweede helft van de 19de eeuw. De dichter van deze tekst is Charlotte Elliot (1780-1871). De melodie is van de hand van Arthur Henry Brown (1830-1926). De dichteres was invalide. Haar tekst, vertaald door Gert Landman, heeft ze geschreven na een ernstig ziekbed. Het werd voor het eerst in 1835 gepubliceerd in een blaadje.

Daarna ook in de tweede druk van ‘The Invalid’s Hymn Book’ (1836), waarin zij zegt dat zij het gedicht heeft n.a.v. Johannes 6, 37 waar staat dat Jezus gezegd heeft: ‘Allen die de Vader mij geeft zullen tot Mij komen en wie bij Mij komt zal ik niet wegsturen’. Dit is één van de  weinige Engelse hymns (=gezangen) die spreken over ‘the healing of the mind with a sense of salvation’(=het genezen van de geest met een gevoel van bevrijding). Opvallend in deze liedtekst is de laatste zin van elk couplet met de woorden: ‘O Lam van God, ik kom!’

De melodie zal wel niet veel gezongen zijn, maar klinkt vertrouwd in de oren! Pas op voor het slot van de derde regel!   Herman Stokmans.

   2. Zoals ik ben, met al mijn strijd,                       5. Zoals ik ben, in U te zijn
        mijn angsten en onzekerheid,                              en Gij in mij, in brood en wijn:
                   mijn maskers en mijn ijdelheid -                          uw ziel, uw levenskracht wordt mijn -
O Lam van God, ik kom.                                    OLam van God, ik kom.

        3. Zoals ik ben, verdoofd, verblind,                     6. Zoals ik ben, - ja, dat ik dan 
      tast ik naar U, die mij bemint,                              de lengte, breedte, hoogte van
  bij wie mijn ziel genezing vindt -                           uw diepe liefde vatten kan:
O Lam van God, ik kom.                                     O Lam van God, ik kom.

        4. Zoals ik ben, ontvangt Gij mij,                              7. Zoals ik ben: dat ik uw Naam
   reinigt, vergeeft, omarmt Gij mij,                              nu al, met alle heiligen saam,
             vervult, verlicht, verwarmt Gij mij -                          en eens ook voor uw troon beaam -
O Lam van God, ik kom.                                        O Lam van God, ik kom.

 

 

Lied voor de maand november 2010
Gezang 103‘De Heiligen ons voorgegaan' en 299
Tekst:
Muus Jacobse melodie Willem Vogel


 

 

 

 

 

 

 


Muus Jacobse


Willem Vogel

 
 

1  De heiligen, ons voorgegaan,
hebben hier niets verworven,
maar zijn aan 't einde van hun baan
als vreemdeling gestorven.
Maar zij geloofden dat Gods hand
die hen tot daar geleid had
in 't beter, hemels vaderland
een stad voor hen bereid had.
Geprezen zij zijn naam!
Hij deed hen veilig gaan!
Komt, zingen wij tesaam
met alle heiligen!
 
2  Zij trokken uit als Abraham,
door God de Heer geroepen
zonder te weten waar hij kwam,
om 't land van God te zoeken.
Zij zijn gestorven in zijn naam
en hebben niets geweten
dan dat Hij had gezegd: Ik schaam
mij niet uw God te heten.
Geprezen zij zijn naam!
Hij deed hen veilig gaan!
Komt, zingen wij tesaam
met alle heiligen!
3  Die van de aarde vrijgekocht
nu rusten van hun werken,
zij spreken en getuigen nog
om ons geloof te sterken,
dat wij omgeven door de wolk
de weg ten einde lopen,
één met het heilig trekkend volk
in liefde en in hope.
Geprezen zij zijn naam!
Hij doet ons veilig gaan!
Komt, zingen wij tesaam
met alle heiligen!
 
   

Het begin en einde van deze maand worden kerkelijk omzoomd door twee gedenkdagen, nl. deze die genoemd wordt ‘met al de heiligen’, waar in diverse kerken de overledenen herdacht worden. Voor deze dag wordt de eerste zondag van november gereserveerd, die dit jaar op 7 november valt. De andere gedenkdag wordt gereserveerd voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar, ook wel ‘dodenzondag’ genoemd. Beide gezangen zingen over de heiligen. Gezang 103 zingt over: ‘De heiligen, ons voorgegaan’. De Engelse titel van Gezang 299 bazuint het uit: ‘For all the Saints who from their labours rest’. Niet te verwarren met ‘O when the saints go marchin in’ (een spiritual). Gezang 103 is een bijbellied van de hand van Muus Jacobse, pseudoniem voor Klaas Heeroma (1909-1972). De dichter grondde zijn tekst op woorden uit de brief van Paulus aan de Hebreeën, genomen uit de hoofdstukken 11 en 12. Ik geef u/jullie wat huiswerk om de teksten, zowel die van het Gezang als die vanuit de Hebreeënbrief door te lezen en met elkaar te vergelijken. Lees eerst de liedtekst van 103,1 en vergelijk dan de regels 4 t/m 8 met Hebreeën 11, 9 en 16. Daarna lezen we de tekst van 103, 2 en vergelijken daarna de regels 1 t/m 4 met Hebr. 11, 8; de regels 5 en 6 met Hebr. 11, 13 en de regels 7 en 8 met Hebr. 11, 16b.

Tenslotte lezen we de laatste strofe en vergelijken daarvan de regels 5 t/m 8 met Hebr. 12, 1. Alle strofen eindigen met hetzelfde refrein waaruit blijkt dat wij samen mogen zingen met hen die ons zijn voorgegaan.

Wat de melodie betreft, deze is door Willem Vogel geschreven in 1963. Ze heeft drie geledingen (= 3x 4 regels). De opbouw daarvan noodt uit tot de volgende uitvoering: de regels 1 t/m 4 zouden door een solist(e) gezongen kunnen worden, een kleine groep zingt vervolgens de regels 5 t/m 8 en de laatste vier regels tenslotte door allen. Zó is Gezang 103 ook gezongen in de uitvaartdienst van Willem op woensdag 13 oktober jl. in de Oude Kerk te Amsterdam. Als het maar eventjes mogelijk is zou dit Gezang ook tijdens een begravenisdienst gezongen kunnen worden.

Even nog een technisch weetje: melodisch vormt regel 3 het spiegelbeeld van regel 1 en regel 4 doet dat ten opzichte van regel 2 met een kleine afwijking in de vier slotnoten.
Herman Stokmans

   

Nog een paar aantekeningen m.b.t. Gezang 299. Deze melodie, die breed hymnisch gezongen moet worden, is een wonder van schoonheid! Het ademt de sfeer van de Last Night of the Proms, als afsluiting van de concerten met klassieke muziek die elk jaar in de Royal Albert Hall in Londen gegeven wordt. De componist is Ralph Vaughan Williams (1872-1958), samensteller o.a. van ‘The English Hymnal’ (1906/1933) waaruit nog steeds in de Anglicaanse Kerk gezongen wordt. De aanduiding ‘Sine nomine’ linksboven de noten, d.i. ‘zonder naam’, is een Engelse gewoonte om hymns een naam te geven. De dichter van deze hymn is William Walsham How (1825-1897). Als bisschop van de Anglicaanse Kerk heeft hij veel gedaan voor de arme bevolking in Wales. Zijn liedtekst is vertaald door Willem Barnard. Het is aan te bevelen om de tekst van Gezang 299 eens vooraf door te lezen. De melodie is toch wel bekend. Deze majesteitelijke melodie a.u.b. niet te vlug zingen! Herman Stokmans

   

   

Lied voor de maand december 2010
Gezang 126'Verwacht de komst des Heren'
Tekst: Vert. Ad den Besten,
melodie 16e eeuw/ Scheidt

   

1  Verwacht de komst des Heren,
o mens, bereid u voor:
reeds breekt in deze wereld
het licht des hemels door.
Nu komt de Vorst op aard,
die God zijn volk zou geven;
ons heil, ons eigen leven
vraagt toegang tot ons hart.

2  Bereid dan voor zijn voeten
de weg die Hij zal gaan;
wilt gij uw Heer ontmoeten,
zo maak voor Hem ruim baan.
Hij komt, bekeer u nu,
verhoog de dalen, effen
de hoogten die zich heffen
tussen uw Heer en u.

3  Een hart dat wacht in ootmoed
is lieflijk voor de Heer,
maar op een hart vol hoogmoed
ziet Hij in gramschap neer.
Wie vraagt naar zijn gebod
en bidden blijft en waken,
in hem wil woning maken
het heil, de Zoon van God.
   

.‘Vol verwachting klopt ons hart’. In deze Adventstijd verwachten wij met Johannes de Doper de toekomst (Latijn: Adventus) van Gods rijk in de beloofde Messias. Gezien vanuit bijbels oogpunt is het de voorbereidingstijd op de komst van de Messias bij zijn geboorte. Jesaja zegt het al in zijn profetie: ‘Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de Heer een weg door de  woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God’ (Jesaja 40, 3-4; zo staat het ook bij Marcus 1, 2-3 en Lucas 3, 4 en Johannes 1, 23). Die verwachting blijkt ook uit de liedtekst van Gezang 126, geschreven door Ad den Besten (geb. 1923) die de laatst overgebleven kerklieddichter is van zijn generatie, die liedteksten voor het Liedboek voor de Kerken geschreven hebben. 21 november jl. overleed de nestor van deze dichters, Willem Barnard op 90-jarige leeftijd, voorafgegaan door Willem Vogel die een maand eerder zijn laatste adem uitblies.

In tegenstelling tot Ad den Besten hanteerde Barnard nog zijn pen, wat voor den Besten niet meer mogelijk is. Hij schrijft niet meer!  De tekst van Gezang 126 stoelt helemaal op bovengenoemde teksten. Het is een vrije vertaling van een Duitse liedtekst geschreven door Valentin Thilo (1607-1662).

De herkomst van deze melodie is één in 1557 te Lyon uitgegeven wijs: ‘Une jeune fillette’, in de 16de eeuw zeer bekend en geliefd, waarop verschillende liedteksten gezongen werden (zgn.   contrafacten). Zij is gevormd in de stijl die in de late middeleeuwen gangbaar was. Deze wordt genoemd : de Bar-vorm. De voorgeschreven vorm daarvan is: 2x dezelfde twee regels (d.i. het ‘Aufgesang’) gevolgd tenslotte door vier doorgaande regels (d.i. het ‘Abgesang’).

Herman Stokmans 

   

Naar de beginpagina
Lied van de maand 2011