Lied van de maand januari 2011

 Gezang 166 uit het Liedboek voor de Kerken
mel.ps 118 tekst T.J.M. Naastepad
 

Naar de beginpagina

Lied van de maand vanaf september 2009

   
1  Juicht voor de koning van de Joden,
buigt voor geen dove wereldmacht,
knielt voor de knecht die Gods geboden
beluisterd heeft en wel geacht.
Drie vreemden zochten Hem van verre,
Herodes hebben zij bespot,
met goud, met wierook en met mirre
aanbaden zij de Zoon van God.

2  Hij daalt ootmoedig in het water,
de vogel Geest komt aangesneld,
God heeft in Hem zijn welbehagen
en alle zaligheid gesteld:
tegen de stroom staat Hij ten teken,
hier wordt des levens loop gewend,
het blinde lot gestuwd tot zegen,
wij zijn tot in de dood gekend.
3  In Kana was de gloed geweken,
het vuur bedolven onder as;
toen zei de vlam in ieders beker
wie er de ware wijnstok was.
Laat het nu uit de kruiken stromen,
de vreugde ga van mond tot mond,
omdat Hij, in zijn uur gekomen,
de aarde aan zijn zijde vond!

4  Juicht voor de koning van de volken,
buigt voor zijn opperheerschappij,
zingt halleluja! Uit de wolken
komt ons zijn heerlijkheid nabij.
Bouwt dan ootmoedig aan de aarde,
legt vrede in elkanders hand:
Hij die de beste wijn bewaarde
roept ons ter bruiloft in zijn land!
   

 Tom Naastepad
   

Vanaf 6 januari kan het gebeuren dat er in de Kerk zes zgn. Epifanie-zondagen gevierd worden. Het kunnen er ook minder zijn, wat te maken heeft met het begin van de Veertig-dagentijd voor Pasen. Het Hoogfeest van Pasen beschikt niet over een vaste datum zoals Kerstmis. Het woord ‘Epifanie’, afkomstig vanuit het Grieks (daar epiphania), betekent ‘verschijning’ of ook ‘openbaarwording’. De 6de januari staat in het teken van de drie Koningen: Casper (de oudste), Balthasar (de middelste) en Melchior (de jongste koning), bekend als ‘de wijzen uit het oosten’, ook wel ‘magiërs’ genoemd (zie Mattheüs 2,2). Geen van de drie had een zwarte huidskleur. Overal vroegen zij, waar naar hen geluisterd werd: ‘Waar is de pasgeboren koning van de joden? Wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen!’. Die vraag gaf veel beroering, ook aan het hof van de toenmalige Koning Herodes. Het gevolg daarvan is te lezen in het hele hoofdstuk van Mattheüs 2.

Deze Epifaniëntijd wordt gekenmerkt a. door het verschijnen van de ster (zie bijv. de gezangen 156, 6; 157,1; 158,1; 160,1 en 164,1 - b. de doop van de Messias in de Jordaan (zie o.a. Marcus 1, 9 ev. en ook Gezang 165) – en c. de bruiloft in Kana (zie Johannes 2, 1-11 en Gezang 74). Al deze thema’s komen aan bod in Gezang 166 en vooral de wijn die gul uit de kruiken stroomt nadat ze getransformeerd was vanuit het water! Buiten de aangegeven bekende melodie van Psalm 118 heeft de dichter Tom Naastepad (1921- ‘96) in zijn posthume liedbundel Het lied op onze lippen’ [Uitgeverij Gooi en Sticht, Kampen 2003] de mogelijk-heid gegeven zijn tekst ook te zingen op de melodie die Tera de Marez Oyens schreef bij Gezang 488 B (Zolang er mensen zijn op aarde),d.w.z. in de vorm van vier strofen van 2 x 4 regels i.p.v. vier strofen van 8 regels Herman Stokmans.

   

 

   

 

   

Lied van de maand februari 2011

 

Uw woord omvat mijn leven’ uit Tussentijds, Lied 42.
tekst Sytze de Vries, mel.Willem Vogel
   
1  Uw Woord omvat mijn levern
en tilt mij aan het licht.
Hebt Gij zo door uw spreken
niet alles opgericht?
Uw Woord zet mij op vaste grond
en vult met louter leven
de woorden in mijn mond.
2  Op U laat ik mij voorstaan,
Ik ben aan U gehecht.
Waar Gij betrouwbaar voorgaat
ontvouwt zich weer een weg.
De paden die ik zelf bedacht
zijn doelloos doodgelopen.
Zij voerden in de nacht
3  Uw woorden te herhalen
is honing in mijn mond.
Mij raakt niet meer het smalen
dat ik mij aan U bond.
Ik weet dat zwerven bitter smaakt,
maar heel mijn zoekend leven-
Gij hebt het zoet gemaakt.
4 God, laat mij nooit verliezen
de vreugde om uw woord,
de moed mijn weg te kiezen
waar ik uw voetstap hoor.
En overtuig mij dag aan dag
dat Gij mij hebt geroepen,
ja, dat ik leven mag!
   

                                               

Sytze de Vries

Willem Vogel

   

Dit lied van het duo Sytze de Vries en Willem Vogel is voor het eerst gepubliceerd in de serie ‘Amsterdamse Katernen’ en op 6 oktober 1990 tijdens een feestelijke dienst in de Oude Kerk van Amsterdam ten doop gehouden. Daar werden toen acht van die bundels ingezongen! Ik was erbij! In 2010 is dat aantal gegroeid tot ruim 30 van die katernen, waar niet alleen nieuwe kerkliederen in staan maar ook liturgische onderdelen voor de eredienst. Ondertussen is het onderhavige lied, wat eigenlijk een moderne berijmde psalm is, vrij n.a.v. Psalm 119, 89-112, in diverse bundels terecht gekomen zoals in het vijfde deel van de serie ‘Zingend Geloven’, 13  en in Tussentijds, Lied 42. In de Verzamelde liederen van Sytze de Vries ‘Jij, mijn adem’ (© 2009 Uitgave Boekencentrum, Zoetermeer) is ze uiteraard ook te vinden. Naar mijn mening is dit één van de mooiste melodieën van Willem Vogel met een aansluitende dito meditatieve tekst van Sytze de Vries.. Hoogstwaarschijnlijk zal ze worden opgenomen in het Liedboek dat in 2012 onder de naam LIEDBOEK zingen bidden in huis en kerk  in de roulatie komtHerman Stokmans.

   

                                                                                           

    

 

 

Lied van de maand maart 2011

                                                                                           

‘k Hef, vol verlangst’ uit het Liedboek,Gezang 17(naar psalm 121)

tekst J. van Duisberg,mel. Antwerpen 1579

1  'k Hef, vol verlangst, van dag tot dag mijn ogen
om hulp en uitkomst bergwaarts heen.
Mijn hulp komt van de Heer alleen,
die 't aardrijk schiep en 's hemels ruime bogen
door zijn vermogen.

2  Hij zal uw voet van 't spoor niet laten glijden;
Hij, uw vertrooster in 't verdriet,
de wachter Isrels sluimert niet;
zijn wakend oog zal u in alle tijden
van ramp bevrijden.

3  De Heer zal u beschermen als vóór dezen,
is schaduw aan uw rechterhand,
opdat bij dag der zonne brand,
noch 's nachts de maan u hinderlijk moog' wezen,
of leed doe vrezen.

4  De Heer zal u in onheil en gevaren
met gunstig' ogen gadeslaan;
Hij zal, waar ge in of uit moogt gaan,
van nu tot in uw laatste levensjaren
u steeds bewaren.
   

Het gezang ‘k Hef, vol verlangst, van dag tot dag mijn ogen’ is een oud Luthers lied, ontstaan in de zuidelijke Nederlanden waar in de 16de en 17de eeuw, vooral in Antwerpen, een groot aantal Lutheranen woonden. Zij hadden een eigen Psalmboek ‘in nederduyts gedicht gestelt door Willem van Haecht’. De eerste druk verscheen in 1579. Herdrukken daarvan bleven in omloop tot 1688. Toen verscheen, in 1687 te Amsterdam, de bundel van Jan van Duisburg (boekverkoper en uitgever aldaar), die een bewerking was van de tekst van van Haecht. Zelf had hij 85 psalmen herberijmd op andere melodieën dan die van het Geneefse Psalter. Ons Gezang 17 is een bijna letterlijke berijming van Psalm 121 die deel uitmaakt van een groep psalmen die ook wel ‘liederen van opgang’, of bedevaartspsalmen, genoemd worden, te weten die van 120 – 134. Vers 2 van de onberijmde Psalm 121 geeft als antwoord na de vraag ‘van waar komt mijn hulp?’:  ‘Mijn hulp komt van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft’, wat wij kennen als Bemoediging na de groet van de voorganger: ‘Onze hulp is in de  Naam van de Heer’, waarop allen antwoorden: ‘die hemel en aarde gemaakt heeft’ enz. Daarna komen de bemoedigende woorden, onberijmd te lezen en berijmd te zingen, resp. vanaf vers 3 en strofe  2, waar pelgrims op tocht door de Europese landen o.a. naar Santiago de Compostela (in N.W.- Spanje) veel steun aan hebben.

Deze Psalm wordt vóór het begin van de pelgrimsreis, zo mogelijk, gebeden door wandelaars, fietsers enz. Wat een gevoel van geborgenheid daarbij geeft zijn de laatste woorden van de onberijmde psalm 121 in de nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1954) waar staat:  ‘De Here zal uw uitgang en ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid’.
Nog even terug naar Gezang 17. In de tijd voor Pasen komt een zondag voor die Zondag Oculi heet, naar Psalm 25, 15: ‘Ik houd mijn ogen gericht op de Heer’. De hedendaagse Lutheranen kennen het fenomeen zondagslied. Voor elke zondag wordt een eigen vaststaand zondagslied gezongen, als onderdeel van de liturgie. Voor Zondag Oculi is dat dan Gezang 17. Het is een gezang dat door het hele jaar heen gezongen kan worden. 
De vorm van de melodie is niet gewoon. De regels 1 en 4 zijn identiek. De beide eerste helften klinken zoals de melodie van regel 1 van ‘Daar gaat een Lam enz.’ (zie Gezang 187). Regel 3 geeft niet de volledige melodische lijn weer van de regels 1 en 4. Het is aan te bevelen deze melodie niet langzaam te zingen. Men zou anders bij de regels 1 en 4 in ademnood kunnen komen.  
Herman Stokmans.

 

   

 

Lied van de maand april 2011

 

'Graan dat in de aarde' uit Zingend Geloven 5,49 of Tussentijds 155

tekst Jürgen Henkys 'Korn das in die Erde' vert. Sytze de Vries, mel. 'Noël nouvelet'


 


2 Met geweld begraven 3 Zaad van God, verloren
werd de liefde Gods. in de harde steen,
Rest haar niets dan rusten en ons hart, in doornen
in de harde rots? vruchteloos alleen,-
Jezus is dood, heen is de nacht,
geen weg lijkt meer te gaan de derde dag breekt aan.
Liefde groeit als koren, Liefde groeit als koren,
als het groene graan. als het groene graan.
Deze maand heeft, wat betreft het zingen in de kerk, te maken met twee verschillende aandachtsvelden, nl. de eerste drie weken die volledig in het teken staan van de Lijdenstijd met daarbij behorende Psalmen en Gezangen. Vervolgens begint in de week na Palmzondag  op de avond van Witte Donderdag de viering van het Paasfeest, wat tot aan het eigenlijke feest drie dagen zal duren. De Latijnse naam daarvoor is sacrum triduum ofwel ‘de heilige drie dagen’. Daarbij horen Goede Vrijdag en Paaszaterdag, ook in de kerk te vieren op de avond, óf op de Vrijdag hier en daar ook op de ochtend t.g.v. het Heilig Avondmaal.

Tijdens de avond van Witte Donderdag komt de gemeente bijeen in een dienst van Schrift en Tafel. Er is dus veel te doen in die week, teveel om daarover uit te weiden. Daarmee wil ik zeggen dat het moeilijk is om een alomvattend lied te vinden voor deze maand. Tenslotte kwam ik uit op bovengenoemd lied dat Sytze de Vries vertaalde uit het Duits: ‘Korn, das in die Erde, in den Tod versinkt’ van Jürgen Henkys, in het Evangelisches Gesangbuch, Lied 98.
De bijbelse achtergrond daarvan is al direct bij het begin duidelijk. Het gaat om wat Jezus zegt: ‘Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft
het één graankorrel en sterft, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht’ (Johannes 12, 24). Het ‘graan’ staat voor Jezus Messias. Vijf keer komt in dit lied het woord ‘liefde’ voor, zie o.a. ‘Liefde groeit als koren als het groene graan’. Melodisch klinkt de derde noot wat scherp in de oren! De opbouw van de melodie (die van Franse oorsprong is uit de 15de eeuw) is eenvoudig: de maten 1 en 2, 3 en 4 en 7 en 8 zijn gelijkluidend, blijven over de maten 5 en 6. En dán: ‘heen is de nacht, de derde dag breekt aan’: PASEN ! ‘De Heer is waarlijk opgestaan. Halleluja’.                                                       Herman Stokmans
   

   

   

Lied van de maand mei 2011

 

Laat groot en klein nu vrolijk zijn' Gezang 216

tekst Georg Vetter(1536-1599) vert. Ad den Besten, mel. Kirchengeseng, Praag? 1566

 


geb1923

   

 
2  Juich dan en zing!
Hij, de Eersteling
heeft onze vijand bedwongen,
is sterk en groot
dwars door de dood
tot in Gods rijk doorgedrongen.
Wie bij Hem hoort
mag door die poort
achter Hem aan
ten leven gaan, -
Hij heeft de zege bedongen.
3  Lof, dank en eer
zij onze Heer,
zegent zijn naam te allen tijde!
Gij christnen, laat
uw woord en daad
zijn overwinning belijden.
Dan zullen wij
zijn zoals Hij
en na de nood
van graf en dood
eeuwig in Hem ons verblijden.
 
   

Er wordt wat afgezongen in dit Paaslied, dat ook nog opgeld kan doen voor de hele paastijd !  Er wordt gezongen over ‘jubelend God dank bewijzen’, lofprijzen, juichen, zingen en ook… ‘Lof, dank en eer zij onze Heer’. ‘Want, Hij, in wie ons heil is, zie, die dood was leeft: de Vader heeft zijn Zoon voor ons doen verrijzen’. In de oudere drukken van ons Liedboek voor de Kerken is bij de vertaalde Duitse kerkliederen altijd de beginregel in het Duits aangegeven.

Bij Gezang 216 is dat ‘Mit Freuden zart ‘. Er is wel wat te vertellen over de geschiedenis van dit lied. De oorspronkelijke dichter daarvan was Georg Vetter (1536- ’99). Hij was priester van de Boheemse Broeders te Belà (Moravië). Deze Tsjech was lid van een reformatorische beweging, indertijd begonnen door de hoogleraar Jan Hus (1370-1415) die een voorloper was van de Hervorming, wat hij met de dood op de brandstapel, tijdens het concilie van Kostantz, moest bekopen.

In 1566 werd het lied van Vetter voor het eerst in het  Gesangbuch der Böhmischen Brüder’ uitgegeven en in 1573 in een Wittenberger Gesangbuch. Evenwel bleef het in Duitsland eeuwenlang onbekend tot het in 1950 in het vorige Duitse Evangelisches Kirchengesangbuch (het EKG) weer boven water kwam. Het hedendaagse Duitse Liedboek (het EG) heeft ook 3 strofen. De dichter Ad den Besten (1923) heeft de vertaling van dit lied in het Nederlands op zich genomen. – De melodie van Gezang 216 is sterk beinvloed door de reformatorische  Psalmmelodieën uit de periode dat Johannes Calvijn in Genève de promotor was van het ontstaan van deze melodieën (ca. 1550). De melodie van ‘Laat groot en klein’ is naar het voorbeeld van Psalm 138 ontworpen. De laatste drie regels van beide liederen hebben geen verwantschap meer. Deze Psalm en dit Gezang worden altijd graag gezongen. Beiden hebben zij een vrolijke toonaard. De één meer dan de ander.

Herman
Stokmans.

 

   

   

Lied van de maand juni 2011

 

'Laat groot en klein nu vrolijk zijn' Gezang 254

tekst Nikolaus Decius (1485-1546)vertaling Jan Wit, mel. Geistliche Lieder, Leipzig1539

2  U, Vader, U aanbidden wij,
wij zingen U ter ere;
onwrikbaar staat uw heerschappij,
voorgoed zult Gij regeren.
Gij hebt onmetelijke macht,
uw wil wordt onverwijld volbracht.
Die Heer is onze Koning!

3 O Jezus, die de Christus zijt,
des Vaders Eengeboren,
Gij hebt ons van de toorn bevrijd
en redt wie was verloren.
Gij, Lam van God, voor ons geslacht,
verhoor ons roepen uit de nacht,
erbarm U over allen.

4  O Heilge Geest, ons hoogste goed,
ten Trooster ons gegeven,
heb dank dat Gij ons delen doet
in Jezus' dood en leven.
Beveilig ons in alle nood,
blijf ons nabij in angst en dood,
op U steunt ons vertrouwen.
   

Nikolaus Decius  (1485-1546) is de dichter* . Op zijn naam staan de liederen ‘Alleyne God in den Höge sy eere’ (zie boven), het lied ‘Hyllich is Godt de vader’ en ‘O Lamm Gades unschüldig’ (Liedboek v.d. Kerken, Gezang 188). Deze liedteksten zijn geschreven in de nederduitse taal (te vergelijken met het plat-duits). Zij zijn hoogstwaarschijnlijk de oudste duitse evangelische kerkliederen en in het jaar 1523 ontstaan, eerder dan  Martin Luthers eerste lied: ‘Ein neues Lied wir heben an’, die hij een jaar later schreef. Bovengenoemde liederen zijn door Nikolaus Decius geschreven als plaatsvervangend materiaal voor de Latijnse Misgezangen: ‘Gloria in excelsis Deo‘**, ‘Sanctus’ en ‘Agnus Dei’. Het notenmateriaal van het gemeentelied ‘Alleyne God in den Höge sy eere’ sluit nauw aan bij de noten van de Latijnse tekst: ‘Et in terra pax hominibus bonae voluntatis’ na de door de priester solo gezongen aanhef: ‘Gloria in excelsis Deo’ en wat verder daarna komt. Wat de liedtekst betreft (vertaald o.a. door Jan Wit) is de vierde strofe, waarin gezongen wordt over de Heil’ge Geest, een latere toevoeging, om de Drieeenheid tot uitdrukking te laten komen. N.B. Het woord

 

‘Trooster’ in dezelfde strofe komt veel voor in de Pinksterrubriek van ons Liedboek v.d. Kerken ( zie bijv. de Gezangen 77 / 238 / 241,4 / 244,2 / 254,4 e.a.). Het slot van strofe 3, waar staat ‘erbarm U over allen’ is een toeleiding tot het slotgebed van strofe 4. De eerste strofe van 254 wordt vaak gezongen als Gloriastrofe na het voorafgaand Kyrie (d.i. het ‘Heer ontferm U’, ‘Christus ontferm U’, ‘Heer ontferm U’).

*     Nikolaus Decius’ Duitse naam is vermoedelijk “ Tech” geweest. Nadat hij in Leipzig theologie gestudeerd had was hij een tijdlang monnik in Braunschweig. Daar kwam hij in aanraking met de Reformatie. Later kwam hij in contact met gereformeerde nederlanders die zich in Oost-Pruisen hadden gevestigd. Vanuit die situatie heeft hij zich bekwaamd in het leren spreken van de Nederlandse taal.

**   Van Decius’ ‘Gloria’ gaat alleen de eerste strofe op de engelenzang in Lucas 2 terug.

 Herman Stokmans.

   
   

 

 

Lied voor de maand september 2011: Tussentijds, Lied 60

Het koninkrijk is voor een kind. Tekst Jan Wit bij Mt 18:3 mel.: Heer Jesu heeft een hofken

   




2 De mensen willen macht en eer en voeren strijd
en vroeg of laat ontdekken zij: 't is ijdelheid;
maar ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.


3  Laat onbezorgd de kinderen tot Jezus gaan
en sluit u, grote mensen, dankbaar bij hen aan;
want ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk,
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk;
die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk.
   

.In veel kerkelijke gemeenten wordt in september de startzondag gevierd. Vandaar beleeft het Lied voor de Maand nu een doorstart. Dit lied gaat uit
van de tekst waarin Jezus zegt: ‘Laat de kinderen tot mij komen en verhindert
ze niet, want het koninkrijk van de hemel hoort toe aan wie is zoals zij” (Mattheus 19, 14 en Marcus 10, 14). Elke strofe eindigt met ‘en ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk, die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk’ (bis). Strofe 2 spreekt over dat mensen graag de macht naar zich
toe willen trekken met alle gevolgen van dien, maar ‘alles is ijdelheid’ zegt Prediker. In strofe 3 wordt om een grote processie gevraagd van de grote mensen met het doel achter de onbezorgde kinderen tot Jezus te gaan.

De tekst van dit lied is geschreven door Jan Wit (1914-1980) ten gebruike tijdens de doopdienst van prins Pieter Christiaan, zoon van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven. De melodie daarvan is zeer oud, van Vlaamse oorsprong, uit het begin van de 17de eeuw. Oorspronkelijk hoort zij bij het lied ‘Heer Jezus heeft een hofken waar schoon bloemen staan’. Verderop wordt gezongen over ‘engelenzank en harpegespel, trompetten en klaretten en die veelkens al zowel’. Het is of ze is weggelopen uit een middeleeuws schilderij, waarop kleurrijk en minutieus de mooiste bloemen zijn geschilderd.

 Herman
Stokmans
 

 

   

Lied voor de maand oktober 2011: Tussentijds, Lied 90

Dat woord waarin ons richting werd gegeven. Tekst: Huub Oosterhuis mel.: 'Ic seg adieu'

 




2. Alleen was God in stilte ongebroken,
volmaakt zichzelf, onnoembaar, onweersproken.
Toen heeft Hij in zijn hart gehoord
de klank en aandrift van dat woord.
Nog voor Hij enig mens gewond,
nog voor het opgaan van de zon.
 

Dat woord stond Hem met raad en daad terzijde,
toen Hij het licht, de zee, de aarde spreidde.
Het werd zijn liefste gezellin,
het spreekt Hem moed en liefde in,
opdat niet ooit zijn hart bezwijkt,
zijn naam van deze wereld wijkt.
 

   

In het oecumenisch leesrooster uitgaande van de Raad van Kerken staat voor deze maand driemaal Lied 90 aangegeven en wel bij de epistellezingen. Zie Filip. 2, 16 en het begin van strofe 3 van dit Lied waarin het woord ‘woord’ voorkomt. Zie ook Johannes 1,1 waar staat: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God’. Lied 90 heeft een tekst van Huub Oosterhuis. De melodie is weer van oude oorsprong, zoals ook die van de vorige maand. De tekst is boeiend en komt uit de bundel ‘Aandachtig Liedboek’* (1983), daarin staan veel teksten van Oosterhuis geschreven bij zeer oude melodieën. Deze hoort oorspronkelijk bij het lied ‘Ik zeg adieu. Wij twee wij moeten scheiden’.
De vorm van deze melodie is eenvoudig: de eerste twee regels zijn identiek, de

volgende twee regels eveneens maar de laatste drie noten wijken uit naar beneden. De op een na de laatste regel bestaat melodisch uit twee maal vier zelfde noten, waarna deze melodie sluit met het laatste motief van de regels 1 en 2. De melodie is stoer en tegelijk ook vrolijk. Ik hoor er tromgeroffel in.

Het is te hopen dat dit samengaan van tekst en melodie terecht zal komen in het nieuwe Liedboek dat, naar men voorziet, in 2012 zal verschijnen.
Herman
Stokmans

* In 1622 verscheen van de dichter Gerbrand Brederode  (de man van ‘Alles sal regkom’)  een liedboek met dezelfde titel.

   

 
 

Lied voor de maand november 2011: Tussentijds 131 

'Wij wachten op de koning'. Tekst: Sytze de Vries melodie: Christiaan Winter

     


 

1 Wij wachten op de koning
die ons de vrede brengt,
ontsteken onze lampen
totdat Hij komt

2 Vier kaarsen zullen branden,
het licht groeit vlam voor vlam,
Het houdt de nacht gevangen
totdat hij komt!

 


3 Het vuur van onze vreugde,
de gloed van ons gezang
zal niet meer kunnen doven
totdat hij komt!

4 Wij wachten op de koning,
zijn ster is al gezien.
Vol vrede is de morgen
wanneer hij komt!

 

 

Ditmaal een kort kinderlied voor bij het aansteken van de vier adventskaarsen. Ik weet niet of het al eens eerder gezongen is met behulp van de kinder-nevendienst.. Het lied is geschreven door Sytze de Vries, destijds predikant van de Oude Kerk-gemeente te Amsterdam. Ik zeg dat zo nadrukkelijk omdat er nog een Sytze (of Sietze) de Vries rondloopt, maar die is een vermaard organist in de Groningse omstreken. De melodie van dit kinderlied is geschreven door Christiaan Winter. Hij is opvolger van wijlen Willem Vogel aan dezelfde Oude Kerk als cantor en leider van de Sweelinck-cantorij.

In het toekomstige nieuwe Liedboek zullen meer kinderliederen worden opgenomen dan tot nu toe gebruikelijk was. Dit lied heeft een zeer aanspreekbare melodie. De eerste twee helften zijn gelijkluidend. Het slot van regel 1 en dat van regel 4 samen volgen logisch op elkaar, als een bevestiging, “totdat Hij komt!”

Dit lied is o.a. te vinden in de bundel Zingend Geloven 7/ 3 dat veel kinderliederen bevat. Herman Stokmans.

 

 

 

Lied voor de maand december 2011: Gezang 152

'Een Kind geboren te Bethlehem'. Tekst: Middeleeuws.Vertaling: Bernard Smilde mel.: voorreformatorisch

 

 
2 Wiens heerschappij geen einde kent,
geen einde kent,
Hij daalde neer om onze ellend.
Halleluja, halleluja!


3De koningen uit het Oostenland
het Oostenland,
vereerden Hem met offerand.
Halleluja, halleluja!


4 Die knielden daar in ootmoed neer,
in ootmoed neer,
voor 't kleine kind, hun God en Heer.
Halleluja, halleluja!
 
5 Die zich zo diep vernederd heeft,
vernederd heeft,
Hij is het die ons 't leven geeft!
Halleluja, halleluja!


6 Hij maakt ons door zijn armoe rijk,
zijn armoe rijk,
en brengt ons in het hemelrijk.
Halleluja, halleluja!


7 Zo zinge al wat zingen mag,
wat zingen mag:
den Heer zij dank op deze dag.
Halleluja, halleluja!
 
Dit lied, dat op deze manier in het Liedboek voor de Kerken staat afgedrukt,  is van zeer oude datum. De eerste vertaling vanuit het Latijn in het Duits is van Heinrich von Laufenberg, een Zwitserse theoloog, dichter en musicus, die van ± 1390-1460 leefde. Als wij de vele halleluja’s buiten beschouwing laten, valt direct in de eerste strofe de aankondiging op: (Hoera!) ‘Er is een kind geboren te Bethlehem. Heel Jeruzalem is daarover verheugd!’ Ook valt op bij dit historiebericht de herhaling van de laatste woordjes van steeds de eerste regel. De drie koningen uit het Oostenland, te weten Melchior, Casper en Balthazar komen aangereden en bieden het Kind geschenken aan in alle ootmoed (onderdanigheid). Later, ruim een tiental jaren nadien heeft datzelfde ‘Kind’ ons, door zijn leven en werk op aarde, rijk gemaakt, zodat wij Hem daarvoor dank moeten toezingen. Halleluja, halleluja! Door het beknopte woordgebruik is de tekst zeer eenvoudig. Deze vertaling is van de hand van de Friese dichter-theoloog Bernard Smilde. De eerste strofe van de originele liedtekst luidt als volgt: Puer natus in Bethlehem. Alleluja. Unde gaudet Jerusalem. Alleluja.       
Na deze komen nóg 10 Latijnse strofen.

Het danskarakter van deze melodie is kenmerkend voor de meeste voorreformatorische liedmelodieën. In ons Liedboek staan daar aardig wat voorbeelden van, om daar een aantal van te noemen: 140, 185, 186, 208, 226, en 238. Het kinderlijk eenvoudige lied ‘In de hemel is enen dans’ (eveneens uit de Middeleeuwen) is daar ook een voorbeeld van.

Wat de omvang van de melodie betreft is deze gebouwd op vijf tonen van de dorische toonladder, d.w.z. de tonen re mi fa so en la. Het is beter de twee kruistekens voor de noten weg te laten waardoor die een halve toon lager gezongen dienen te worden.  Herman Stokmans                    

 

Charles Eyck 1930 Uit: Heilige familie en scenes uit het leven van Christus, museum Catharijneconvent, Utrecht

 

Naar de beginpagina
Lied van de maand vanaf september 2009