|
|
|||||||||||||||||||
|
Gezang
166 uit het Liedboek voor de Kerken |
|||||||||||||||||||
| 1 Juicht voor de koning van de Joden, buigt voor geen dove wereldmacht, knielt voor de knecht die Gods geboden beluisterd heeft en wel geacht. Drie vreemden zochten Hem van verre, Herodes hebben zij bespot, met goud, met wierook en met mirre aanbaden zij de Zoon van God. 2 Hij daalt ootmoedig in het water, de vogel Geest komt aangesneld, God heeft in Hem zijn welbehagen en alle zaligheid gesteld: tegen de stroom staat Hij ten teken, hier wordt des levens loop gewend, het blinde lot gestuwd tot zegen, wij zijn tot in de dood gekend. |
3 In Kana was de gloed geweken, het vuur bedolven onder as; toen zei de vlam in ieders beker wie er de ware wijnstok was. Laat het nu uit de kruiken stromen, de vreugde ga van mond tot mond, omdat Hij, in zijn uur gekomen, de aarde aan zijn zijde vond! 4 Juicht voor de koning van de volken, buigt voor zijn opperheerschappij, zingt halleluja! Uit de wolken komt ons zijn heerlijkheid nabij. Bouwt dan ootmoedig aan de aarde, legt vrede in elkanders hand: Hij die de beste wijn bewaarde roept ons ter bruiloft in zijn land! |
||||||||||||||||||
|
|
Tom Naastepad | ||||||||||||||||||
|
Vanaf 6 januari kan het gebeuren dat er in de Kerk zes zgn. Epifanie-zondagen gevierd worden. Het kunnen er ook minder zijn, wat te maken heeft met het begin van de Veertig-dagentijd voor Pasen. Het Hoogfeest van Pasen beschikt niet over een vaste datum zoals Kerstmis. Het woord ‘Epifanie’, afkomstig vanuit het Grieks (daar epiphania), betekent ‘verschijning’ of ook ‘openbaarwording’. De 6de januari staat in het teken van de drie Koningen: Casper (de oudste), Balthasar (de middelste) en Melchior (de jongste koning), bekend als ‘de wijzen uit het oosten’, ook wel ‘magiërs’ genoemd (zie Mattheüs 2,2). Geen van de drie had een zwarte huidskleur. Overal vroegen zij, waar naar hen geluisterd werd: ‘Waar is de pasgeboren koning van de joden? Wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen!’. Die vraag gaf veel beroering, ook aan het hof van de toenmalige Koning Herodes. Het gevolg daarvan is te lezen in het hele hoofdstuk van Mattheüs 2. Deze Epifaniëntijd wordt gekenmerkt a. door het verschijnen van de ster (zie bijv. de gezangen 156, 6; 157,1; 158,1; 160,1 en 164,1 - b. de doop van de Messias in de Jordaan (zie o.a. Marcus 1, 9 ev. en ook Gezang 165) – en c. de bruiloft in Kana (zie Johannes 2, 1-11 en Gezang 74). Al deze thema’s komen aan bod in Gezang 166 en vooral de wijn die gul uit de kruiken stroomt nadat ze getransformeerd was vanuit het water! Buiten de aangegeven bekende melodie van Psalm 118 heeft de dichter Tom Naastepad (1921- ‘96) in zijn posthume liedbundel ‘Het lied op onze lippen’ [Uitgeverij Gooi en Sticht, Kampen 2003] de mogelijk-heid gegeven zijn tekst ook te zingen op de melodie die Tera de Marez Oyens schreef bij Gezang 488 B (Zolang er mensen zijn op aarde),d.w.z. in de vorm van vier strofen van 2 x 4 regels i.p.v. vier strofen van 8 regels Herman Stokmans. |
![]() |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
| Uw woord omvat mijn leven’ uit Tussentijds, Lied 42. | |||||||||||||||||||
| tekst Sytze de Vries, mel.Willem Vogel | |||||||||||||||||||
| 1 Uw Woord omvat mijn levern en tilt mij aan het licht. Hebt Gij zo door uw spreken niet alles opgericht? Uw Woord zet mij op vaste grond en vult met louter leven de woorden in mijn mond. |
2 Op U laat ik mij voorstaan, Ik ben aan U gehecht. Waar Gij betrouwbaar voorgaat ontvouwt zich weer een weg. De paden die ik zelf bedacht zijn doelloos doodgelopen. Zij voerden in de nacht |
3 Uw woorden te herhalen is honing in mijn mond. Mij raakt niet meer het smalen dat ik mij aan U bond. Ik weet dat zwerven bitter smaakt, maar heel mijn zoekend leven- Gij hebt het zoet gemaakt. |
4 God, laat mij nooit verliezen de vreugde om uw woord, de moed mijn weg te kiezen waar ik uw voetstap hoor. En overtuig mij dag aan dag dat Gij mij hebt geroepen, ja, dat ik leven mag! |
||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||
|
Sytze de Vries |
Willem Vogel |
||||||||||||||||||
|
Dit lied van het duo Sytze de Vries en Willem Vogel is voor het eerst gepubliceerd in de serie ‘Amsterdamse Katernen’ en op 6 oktober 1990 tijdens een feestelijke dienst in de Oude Kerk van Amsterdam ten doop gehouden. Daar werden toen acht van die bundels ingezongen! Ik was erbij! In 2010 is dat aantal gegroeid tot ruim 30 van die katernen, waar niet alleen nieuwe kerkliederen in staan maar ook liturgische onderdelen voor de eredienst. Ondertussen is het onderhavige lied, wat eigenlijk een moderne berijmde psalm is, vrij n.a.v. Psalm 119, 89-112, in diverse bundels terecht gekomen zoals in het vijfde deel van de serie ‘Zingend Geloven’, 13 en in Tussentijds, Lied 42. In de Verzamelde liederen van Sytze de Vries ‘Jij, mijn adem’ (© 2009 Uitgave Boekencentrum, Zoetermeer) is ze uiteraard ook te vinden. Naar mijn mening is dit één van de mooiste melodieën van Willem Vogel met een aansluitende dito meditatieve tekst van Sytze de Vries.. Hoogstwaarschijnlijk zal ze worden opgenomen in het Liedboek dat in 2012 onder de naam LIEDBOEK zingen bidden in huis en kerk in de roulatie komtHerman Stokmans. |
|
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
‘k Hef, vol verlangst’ uit het Liedboek,Gezang 17(naar psalm 121) |
|||||||||||||||||||
|
tekst J. van Duisberg,mel. Antwerpen 1579 |
|||||||||||||||||||
![]() |
1 'k Hef, vol verlangst, van dag
tot dag mijn ogen om hulp en uitkomst bergwaarts heen. Mijn hulp komt van de Heer alleen, die 't aardrijk schiep en 's hemels ruime bogen door zijn vermogen. 2 Hij zal uw voet van 't spoor niet laten glijden; Hij, uw vertrooster in 't verdriet, de wachter Isrels sluimert niet; zijn wakend oog zal u in alle tijden van ramp bevrijden. 3 De Heer zal u beschermen als vóór dezen, is schaduw aan uw rechterhand, opdat bij dag der zonne brand, noch 's nachts de maan u hinderlijk moog' wezen, of leed doe vrezen. 4 De Heer zal u in onheil en gevaren met gunstig' ogen gadeslaan; Hij zal, waar ge in of uit moogt gaan, van nu tot in uw laatste levensjaren u steeds bewaren. |
||||||||||||||||||
|
Het gezang ‘k Hef, vol verlangst, van dag tot dag mijn ogen’ is een oud Luthers lied, ontstaan in de zuidelijke Nederlanden waar in de 16de en 17de eeuw, vooral in Antwerpen, een groot aantal Lutheranen woonden. Zij hadden een eigen Psalmboek ‘in nederduyts gedicht gestelt door Willem van Haecht’. De eerste druk verscheen in 1579. Herdrukken daarvan bleven in omloop tot 1688. Toen verscheen, in 1687 te Amsterdam, de bundel van Jan van Duisburg (boekverkoper en uitgever aldaar), die een bewerking was van de tekst van van Haecht. Zelf had hij 85 psalmen herberijmd op andere melodieën dan die van het Geneefse Psalter. Ons Gezang 17 is een bijna letterlijke berijming van Psalm 121 die deel uitmaakt van een groep psalmen die ook wel ‘liederen van opgang’, of bedevaartspsalmen, genoemd worden, te weten die van 120 – 134. Vers 2 van de onberijmde Psalm 121 geeft als antwoord na de vraag ‘van waar komt mijn hulp?’: ‘Mijn hulp komt van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft’, wat wij kennen als Bemoediging na de groet van de voorganger: ‘Onze hulp is in de Naam van de Heer’, waarop allen antwoorden: ‘die hemel en aarde gemaakt heeft’ enz. Daarna komen de bemoedigende woorden, onberijmd te lezen en berijmd te zingen, resp. vanaf vers 3 en strofe 2, waar pelgrims op tocht door de Europese landen o.a. naar Santiago de Compostela (in N.W.- Spanje) veel steun aan hebben. |
Deze Psalm wordt vóór het begin van de
pelgrimsreis, zo mogelijk, gebeden door
wandelaars, fietsers enz. Wat een gevoel van geborgenheid daarbij
geeft zijn de laatste woorden van de onberijmde psalm 121 in de
nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1954) waar
staat: ‘De Here
zal uw uitgang en ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid’. |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
'Graan dat in de aarde' uit Zingend Geloven 5,49 of Tussentijds 155 |
|||||||||||||||||||
|
tekst Jürgen Henkys 'Korn das in die Erde' vert. Sytze de Vries, mel. 'Noël nouvelet' |
|||||||||||||||||||
|
|
![]() |
||||||||||||||||||
|
Deze maand heeft, wat betreft het zingen in de kerk, te maken met twee verschillende aandachtsvelden, nl. de eerste drie weken die volledig in het teken staan van de Lijdenstijd met daarbij behorende Psalmen en Gezangen. Vervolgens begint in de week na Palmzondag op de avond van Witte Donderdag de viering van het Paasfeest, wat tot aan het eigenlijke feest drie dagen zal duren. De Latijnse naam daarvoor is sacrum triduum ofwel ‘de heilige drie dagen’. Daarbij horen Goede Vrijdag en Paaszaterdag, ook in de kerk te vieren op de avond, óf op de Vrijdag hier en daar ook op de ochtend t.g.v. het Heilig Avondmaal. | ||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||
|
Tijdens de avond van Witte
Donderdag komt de gemeente bijeen in een
dienst van Schrift en Tafel. Er is dus veel te doen in die week,
teveel om daarover uit te weiden. Daarmee wil ik zeggen dat het
moeilijk is om een alomvattend lied te vinden voor deze maand.
Tenslotte kwam ik uit op bovengenoemd
lied dat Sytze de Vries vertaalde uit
het Duits: ‘Korn, das in die
Erde, in den Tod versinkt’ van
Jürgen Henkys,
in het Evangelisches
Gesangbuch, Lied 98. De bijbelse achtergrond daarvan is al direct bij het begin duidelijk. Het gaat om wat Jezus zegt: ‘Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft |
het één graankorrel en sterft, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht’ (Johannes 12, 24). Het ‘graan’ staat voor Jezus Messias. Vijf keer komt in dit lied het woord ‘liefde’ voor, zie o.a. ‘Liefde groeit als koren als het groene graan’. Melodisch klinkt de derde noot wat scherp in de oren! De opbouw van de melodie (die van Franse oorsprong is uit de 15de eeuw) is eenvoudig: de maten 1 en 2, 3 en 4 en 7 en 8 zijn gelijkluidend, blijven over de maten 5 en 6. En dán: ‘heen is de nacht, de derde dag breekt aan’: PASEN ! ‘De Heer is waarlijk opgestaan. Halleluja’. Herman Stokmans | ||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
Laat groot en klein nu vrolijk zijn' Gezang 216 |
|||||||||||||||||||
|
tekst Georg Vetter(1536-1599) vert. Ad den Besten, mel. Kirchengeseng, Praag? 1566 |
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||
| 2 Juich dan en zing! Hij, de Eersteling heeft onze vijand bedwongen, is sterk en groot dwars door de dood tot in Gods rijk doorgedrongen. Wie bij Hem hoort mag door die poort achter Hem aan ten leven gaan, - Hij heeft de zege bedongen. |
3 Lof, dank en eer zij onze Heer, zegent zijn naam te allen tijde! Gij christnen, laat uw woord en daad zijn overwinning belijden. Dan zullen wij zijn zoals Hij en na de nood van graf en dood eeuwig in Hem ons verblijden. |
||||||||||||||||||
|
Er wordt wat afgezongen in dit Paaslied, dat ook nog opgeld kan doen voor de hele paastijd ! Er wordt gezongen over ‘jubelend God dank bewijzen’, lofprijzen, juichen, zingen en ook… ‘Lof, dank en eer zij onze Heer’. ‘Want, Hij, in wie ons heil is, zie, die dood was leeft: de Vader heeft zijn Zoon voor ons doen verrijzen’. In de oudere drukken van ons Liedboek voor de Kerken is bij de vertaalde Duitse kerkliederen altijd de beginregel in het Duits aangegeven. Bij Gezang 216 is dat ‘Mit Freuden zart ‘. Er is wel wat te vertellen over de geschiedenis van dit lied. De oorspronkelijke dichter daarvan was Georg Vetter (1536- ’99). Hij was priester van de Boheemse Broeders te Belà (Moravië). Deze Tsjech was lid van een reformatorische beweging, indertijd begonnen door de hoogleraar Jan Hus (1370-1415) die een voorloper was van de Hervorming, wat hij met de dood op de brandstapel, tijdens het concilie van Kostantz, moest bekopen. |
In 1566 werd het lied van Vetter voor
het eerst in het ‘Gesangbuch
der Böhmischen
Brüder’ uitgegeven en in 1573 in een
Wittenberger Gesangbuch.
Evenwel bleef het in Duitsland eeuwenlang
onbekend tot het in 1950 in het vorige Duitse
Evangelisches Kirchengesangbuch
(het EKG) weer boven water kwam. Het hedendaagse Duitse Liedboek
(het EG) heeft ook 3 strofen. De dichter Ad den Besten (1923) heeft
de vertaling van dit lied in het Nederlands op zich genomen. – De
melodie van Gezang 216 is sterk beinvloed
door de reformatorische Psalmmelodieën uit de periode dat
Johannes Calvijn
in Genève de promotor was van het
ontstaan van deze melodieën (ca. 1550). De melodie van ‘Laat groot
en klein’ is naar het voorbeeld van Psalm 138 ontworpen. De laatste
drie regels van beide liederen hebben geen verwantschap meer. Deze
Psalm en dit Gezang worden altijd graag gezongen. Beiden hebben zij
een vrolijke toonaard. De één meer dan de ander. |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
'Laat groot en klein nu vrolijk zijn' Gezang 254 |
|||||||||||||||||||
|
tekst Nikolaus Decius (1485-1546)vertaling Jan Wit, mel. Geistliche Lieder, Leipzig1539 |
|||||||||||||||||||
|
|
2 U, Vader, U
aanbidden wij, wij zingen U ter ere; onwrikbaar staat uw heerschappij, voorgoed zult Gij regeren. Gij hebt onmetelijke macht, uw wil wordt onverwijld volbracht. Die Heer is onze Koning! 3 O Jezus, die de Christus zijt, des Vaders Eengeboren, Gij hebt ons van de toorn bevrijd en redt wie was verloren. Gij, Lam van God, voor ons geslacht, verhoor ons roepen uit de nacht, erbarm U over allen. 4 O Heilge Geest, ons hoogste goed, ten Trooster ons gegeven, heb dank dat Gij ons delen doet in Jezus' dood en leven. Beveilig ons in alle nood, blijf ons nabij in angst en dood, op U steunt ons vertrouwen. |
||||||||||||||||||
|
Nikolaus Decius (1485-1546) is de dichter* . Op zijn naam staan de liederen ‘Alleyne God in den Höge sy eere’ (zie boven), het lied ‘Hyllich is Godt de vader’ en ‘O Lamm Gades unschüldig’ (Liedboek v.d. Kerken, Gezang 188). Deze liedteksten zijn geschreven in de nederduitse taal (te vergelijken met het plat-duits). Zij zijn hoogstwaarschijnlijk de oudste duitse evangelische kerkliederen en in het jaar 1523 ontstaan, eerder dan Martin Luthers eerste lied: ‘Ein neues Lied wir heben an’, die hij een jaar later schreef. Bovengenoemde liederen zijn door Nikolaus Decius geschreven als plaatsvervangend materiaal voor de Latijnse Misgezangen: ‘Gloria in excelsis Deo‘**, ‘Sanctus’ en ‘Agnus Dei’. Het notenmateriaal van het gemeentelied ‘Alleyne God in den Höge sy eere’ sluit nauw aan bij de noten van de Latijnse tekst: ‘Et in terra pax hominibus bonae voluntatis’ na de door de priester solo gezongen aanhef: ‘Gloria in excelsis Deo’ en wat verder daarna komt. Wat de liedtekst betreft (vertaald o.a. door Jan Wit) is de vierde strofe, waarin gezongen wordt over de Heil’ge Geest, een latere toevoeging, om de Drieeenheid tot uitdrukking te laten komen. N.B. Het woord
|
‘Trooster’ in dezelfde strofe komt veel voor in de Pinksterrubriek van ons Liedboek v.d. Kerken ( zie bijv. de Gezangen 77 / 238 / 241,4 / 244,2 / 254,4 e.a.). Het slot van strofe 3, waar staat ‘erbarm U over allen’ is een toeleiding tot het slotgebed van strofe 4. De eerste strofe van 254 wordt vaak gezongen als Gloriastrofe na het voorafgaand Kyrie (d.i. het ‘Heer ontferm U’, ‘Christus ontferm U’, ‘Heer ontferm U’). * Nikolaus Decius’ Duitse naam is vermoedelijk “ Tech” geweest. Nadat hij in Leipzig theologie gestudeerd had was hij een tijdlang monnik in Braunschweig. Daar kwam hij in aanraking met de Reformatie. Later kwam hij in contact met gereformeerde nederlanders die zich in Oost-Pruisen hadden gevestigd. Vanuit die situatie heeft hij zich bekwaamd in het leren spreken van de Nederlandse taal. ** Van Decius’ ‘Gloria’ gaat alleen de eerste strofe op de engelenzang in Lucas 2 terug. Herman Stokmans. |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
Het koninkrijk is voor een kind. Tekst Jan Wit bij Mt 18:3 mel.: Heer Jesu heeft een hofken |
|||||||||||||||||||
|
|
2 De mensen willen macht en eer en voeren strijd en vroeg of laat ontdekken zij: 't is ijdelheid; maar ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk, die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk. die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk. 3 Laat onbezorgd de kinderen tot Jezus gaan en sluit u, grote mensen, dankbaar bij hen aan; want ieder die eenvoudig wordt, een kind gelijk, die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk; die heet de Here Jezus welkom in zijn koninkrijk. |
||||||||||||||||||
|
.In veel kerkelijke gemeenten
wordt in september de startzondag gevierd.
Vandaar beleeft het Lied voor de Maand nu een doorstart.
Dit lied gaat uit |
De tekst van dit lied is geschreven
door Jan Wit (1914-1980) ten gebruike
tijdens de doopdienst van prins Pieter
Christiaan, zoon van prinses Margriet en
Pieter van
Vollenhoven. De melodie
daarvan is zeer oud, van Vlaamse oorsprong, uit het begin van de 17de
eeuw. Oorspronkelijk hoort zij bij het lied ‘Heer Jezus heeft
een hofken
waar schoon bloemen staan’. Verderop wordt gezongen over ‘engelenzank
en harpegespel, trompetten en
klaretten en die
veelkens al zowel’. Het is of ze is weggelopen uit een
middeleeuws schilderij, waarop kleurrijk en minutieus de mooiste
bloemen zijn geschilderd. HermanStokmans |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
Dat woord waarin ons richting werd gegeven. Tekst: Huub Oosterhuis mel.: 'Ic seg adieu' |
|||||||||||||||||||
|
|
2. Alleen was God in stilte ongebroken, volmaakt zichzelf, onnoembaar, onweersproken. Toen heeft Hij in zijn hart gehoord de klank en aandrift van dat woord. Nog voor Hij enig mens gewond, nog voor het opgaan van de zon. Dat woord stond Hem met raad en daad terzijde, |
||||||||||||||||||
|
In het
oecumenisch leesrooster uitgaande van de Raad van Kerken staat
voor deze maand driemaal Lied 90 aangegeven en wel bij de
epistellezingen. Zie Filip. 2, 16 en
het begin van strofe 3 van dit Lied waarin het woord ‘woord’
voorkomt. Zie ook Johannes 1,1 waar
staat: ‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het
Woord was God’. Lied 90 heeft een tekst van
Huub Oosterhuis. De melodie
is weer van oude oorsprong, zoals ook die van de vorige maand.
De tekst is boeiend en komt uit de bundel ‘Aandachtig Liedboek’*
(1983), daarin staan veel teksten van
Oosterhuis geschreven bij zeer oude melodieën. Deze hoort
oorspronkelijk bij het lied ‘Ik zeg adieu. Wij twee wij moeten
scheiden’. |
volgende twee regels eveneens maar de laatste drie noten wijken uit naar beneden. De op een na de laatste regel bestaat melodisch uit twee maal vier zelfde noten, waarna deze melodie sluit met het laatste motief van de regels 1 en 2. De melodie is stoer en tegelijk ook vrolijk. Ik hoor er tromgeroffel in.
Het is te hopen dat dit samengaan van
tekst en melodie terecht zal komen in het nieuwe Liedboek dat, naar
men voorziet, in 2012 zal verschijnen. * In 1622 verscheen van de dichter Gerbrand Brederode (de man van ‘Alles sal regkom’) een liedboek met dezelfde titel. |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
'Wij wachten op de koning'. Tekst: Sytze de Vries melodie: Christiaan Winter |
|||||||||||||||||||
|
|
1 Wij wachten op de koning 2 Vier kaarsen zullen branden, |
4 Wij wachten op de koning,
|
|||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
Ditmaal een kort kinderlied voor bij het aansteken van de vier adventskaarsen. Ik weet niet of het al eens eerder gezongen is met behulp van de kinder-nevendienst.. Het lied is geschreven door Sytze de Vries, destijds predikant van de Oude Kerk-gemeente te Amsterdam. Ik zeg dat zo nadrukkelijk omdat er nog een Sytze (of Sietze) de Vries rondloopt, maar die is een vermaard organist in de Groningse omstreken. De melodie van dit kinderlied is geschreven door Christiaan Winter. Hij is opvolger van wijlen Willem Vogel aan dezelfde Oude Kerk als cantor en leider van de Sweelinck-cantorij. |
In het toekomstige nieuwe Liedboek zullen meer kinderliederen worden opgenomen dan tot nu toe gebruikelijk was. Dit lied heeft een zeer aanspreekbare melodie. De eerste twee helften zijn gelijkluidend. Het slot van regel 1 en dat van regel 4 samen volgen logisch op elkaar, als een bevestiging, “totdat Hij komt!” Dit lied is o.a. te vinden in de bundel Zingend Geloven 7/ 3 dat veel kinderliederen bevat. Herman Stokmans. |
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
'Een Kind geboren te Bethlehem'. Tekst: Middeleeuws.Vertaling: Bernard Smilde mel.: voorreformatorisch |
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
![]() |
|||||||||||||||||||
| 2 Wiens heerschappij geen einde kent, geen einde kent, Hij daalde neer om onze ellend. Halleluja, halleluja! 3De koningen uit het Oostenland het Oostenland, vereerden Hem met offerand. Halleluja, halleluja! 4 Die knielden daar in ootmoed neer, in ootmoed neer, voor 't kleine kind, hun God en Heer. Halleluja, halleluja! |
5 Die zich zo diep vernederd heeft, vernederd heeft, Hij is het die ons 't leven geeft! Halleluja, halleluja! 6 Hij maakt ons door zijn armoe rijk, zijn armoe rijk, en brengt ons in het hemelrijk. Halleluja, halleluja! 7 Zo zinge al wat zingen mag, wat zingen mag: den Heer zij dank op deze dag. Halleluja, halleluja! |
Dit lied, dat op deze manier in het
Liedboek voor de Kerken staat afgedrukt,
is van zeer oude datum. De eerste vertaling vanuit het Latijn in het
Duits is van Heinrich
von Laufenberg,
een Zwitserse theoloog, dichter en musicus, die van ± 1390-1460
leefde. Als wij de vele halleluja’s buiten beschouwing laten, valt
direct in de eerste strofe de aankondiging op: (Hoera!) ‘Er is een
kind geboren te Bethlehem. Heel
Jeruzalem is daarover verheugd!’ Ook valt op bij dit historiebericht
de herhaling van de laatste woordjes van steeds de eerste regel. De
drie koningen uit het Oostenland, te weten
Melchior, Casper en
Balthazar komen aangereden en bieden het
Kind geschenken aan in alle ootmoed
(onderdanigheid). Later, ruim een tiental jaren nadien heeft
datzelfde ‘Kind’ ons, door zijn leven en werk op aarde, rijk
gemaakt, zodat wij Hem daarvoor dank moeten toezingen. Halleluja,
halleluja! Door het beknopte woordgebruik is de tekst zeer
eenvoudig. Deze vertaling is van de hand van de Friese
dichter-theoloog
Bernard Smilde. De eerste strofe
van de originele liedtekst luidt als volgt:
Puer
natus in Bethlehem.
Alleluja.
Unde gaudet
Jerusalem. Alleluja. Na deze komen nóg 10 Latijnse strofen. |
|||||||||||||||||
|
Het danskarakter van deze melodie is kenmerkend voor de meeste voorreformatorische liedmelodieën. In ons Liedboek staan daar aardig wat voorbeelden van, om daar een aantal van te noemen: 140, 185, 186, 208, 226, en 238. Het kinderlijk eenvoudige lied ‘In de hemel is enen dans’ (eveneens uit de Middeleeuwen) is daar ook een voorbeeld van. Wat de omvang van de melodie betreft is deze gebouwd op vijf tonen van de dorische toonladder, d.w.z. de tonen re mi fa so en la. Het is beter de twee kruistekens voor de noten weg te laten waardoor die een halve toon lager gezongen dienen te worden. Herman Stokmans |
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
Charles Eyck 1930 Uit: Heilige familie en scenes uit het leven van Christus, museum Catharijneconvent, Utrecht |
|||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||