Preek van ds. P.B. van Reenen gehouden op 9 januari 2005

Gemeente,  

Ik heb gister de begrafenis bijgewoond van een oude dierbare vriend in Amersfoort. Een chique begrafenis, met een prachtige terugblik door de zoon op het rijke leven van vader, met een predikant die ruim de tijd nam, daarna de graflegging in het familiegraf, en tenslotte voor iedereen koffie na in Chalet Waterloo in Leusden. Alles tot in de puntjes verzorgd, na een rijk en gezegend leven, 90 jaar is hij geworden, alle lof die hem toekwam was meer dan verdiend, hij was groot geworden in zijn leven, zijn leven had alle seizoenen mee mogen maken, en tenslotte was hij in de morgen van de winter naar huis gekeerd, naar het huis van Vader in de hemel, daar geloofde hij heilig in.
Toen ik dat alles zo meemaakte, mocht meemaken, moest ik denken aan de afgelopen 14 dagen, zag ik de
onafzienbare rijen in plastic gewikkelde lijken voor me, levens die niet tot volheid waren gekomen, zeker 1/3 van alle doden zijn kinderen, het leven in de knop gebroken, lijken die in massagraven zijn gegooid,

zonder mooie begrafenis, zonder mooie woorden van dank voor het leven dat geleefd mocht worden, want het leven mocht niet geleefd worden, het leven was verdronken in het doodswater, was gebroken door de alles vernietigende kracht van het water. Ivo Niehe zei donderdag tijdens de aktie dat voor hem het beeld van die vader met dat zoontje alles verbeeldde wat er was gebeurd aan grenzeloos verdriet. En ik begrijp dat, het is een beeld dat nooit meer uit mijn geheugen zal verdwijnen. Maar er waren ook andere beelden, beelden die ik zo huiveringwekkend en aangrijpend vond, dat ik als in een trance van mijn stoel opstond, alsof ik het nauwelijks aankon, de beelden van lijken die werden opgeschept door een kiepwagen, weggereden, en gedumpt in een massagraf.

Nee, ik heb geen goede vakantie gehad, ik heb dagenlang aan bijna niets anders gedacht, leed te groot voor woorden, te groot voor kwetsbare mensen,

te groot voor God?, vroeg ik mij al snel af.
Kan God zo’n ramp ‘overleven’, anders gezegd, kan Hij staande blijven in ‘t natuurgeweld der tijden, of gaat Hij met zijn mensenkinderen ten onder, de overlevenden met lege handen achterlatend, geen troostend woord dan alleen de harde koude werkelijkheid dat rampen nu eenmaal gebeuren.
Prof. Kuitert die in Zeeland als predikant de watersnoodramp van 1953 heeft meegemaakt, heeft eens gezegd, naar aanleiding van die ramp: ‘Dan verliest God zijn gezicht, en dan duurt het even tot Hij z’n gezicht weer terugheeft’
Dat zal niet ieders antwoord zijn, zeker niet dat van de orthodoxie, maar het is in ieder geval wel de ervaring van velen, niet alleen na deze ramp door de natuur mensen aangedaan, maar ook na rampen door mensen andere mensen aangedaan, als we denken aan oorlog, honger, verkrachtingen, mensenhandel, noem alles maar op wat deze aarde tot helleplaats maakt.
Dat zijn vragen die zo oud zijn als er mensen zijn op aarde. In de bijbel is het Job die dit alles voor ons verwoordt, en wel op zo'n aangrijpende wijze, dat 'iedereen' het er over eens is, dat het boek Job behoort tot de schatten van de wereldliteratuur.

Jobs woorden die steeds meer het karakter krijgen van een aanklacht, een aanklacht in een proces dat Job aanspant tegen God. God die weet dat Job niet schuldig is (10, 7a), die hem zijn recht ontnomen heeft (27,2), als Job Hem zou weten te vinden, hij zou een rechtszaak beginnen en God met bewijzen (23,3-4) overtuigen dat hij onschuldig is, dat hij dit niet verdiend heeft. Met deze aanklacht (ondertekend en wel,31,35) roept Job God ter verantwoording. Niet Job is schuldig, God is schuldig.
Dat vonden die drie rabbi’s ook, die stemden tegen God. Tijdens de oorlog zaten drie rabbi’s in een kamp. Het waren leiders van talmoedscholen en uit hoofde van hun kennis waren het ook rechters. Wijze, geleerde mannen, die de talmoed, een commentaar op het O.T., uit hun hoofd kenden. Ze besloten op een avond dat het tijd werd iets te doen: om God aan te klagen. Ze zetten een rechtszaak op en begonnen het proces, het proces tegen God. Met alle argumenten voor en tegen. Het duurde een paar dagen, het was heel serieus, heel dramatisch, elk woord werd gewogen. Na vele, vele dagen werd het vonnis uitgesproken. Het vonnis luidde: schuldig. Toen zei de leider van het proces: Laten we nu bidden.

Ik heb dit altijd een zeer aangrijpend verhaal gevonden. Ook een voorbeeld-verhaal. Ik bedoel, als Joden, wier geschiedenis zozeer gedrenkt is in het lijden, als Joden God weten staande te houden, zelfs in het lijden van de concentratiekampen, zelfs in zijn ‘schuldig’ staan tegenover natuurrampen en mensenrampen, als Joden dat kunnen, zou ik dat dan niet nog veel meer moeten kunnen? In die zin een voorbeeld-verhaal. Ook vanwege de geweldige spanning die er in dit verhaal zit: op het ‘schuldig’ volgt meteen het ‘laten we nu bidden!’
Want naar wie zou je anders moeten met je ‘zee van ellende’, met je ‘vloedgolf van verdriet?’, naar wie anders dan naar Hem die dit alles heeft geschapen, die het begin in zijn handen heeft, zo geloven wij, en dus ook het eind, en dus ook ons einde, want heeft hij het

Ik denk ook aan de psalmen, waarin gelovige mensen de hemel bestormen met hun vragen en klachten, met hun schreeuwen: Het is niet eerlijk, het is niet eerlijk, dit kan niet, en dan tot een overgave komen die lijkt op die van die rabbi’s: Laten we nu bidden.
Als er één boek is, dat zegt dat geloven niet lekker makkelijk is, dat zegt dat geloven niet het antwoord is op alle vragen en alle leed in de wereld en in je persoonlijk leven, dan is dat de Bijbel.
De Bijbel is wel een boek waarin je de persoonlijke strijd terugvindt van mensen die niet zonder God kunnen en willen leven, die met hun terechte menselijke vragen de hemel bestormen, in de verwachting dat er een oor is dat hoort, een oog dat ziet, een Naam die doet wat die naam betekent: Ik zal er zijn voor jou en met jou.

Steeds meer mensen deinen mee op de golven van onwetendheid, houden het niet uit in die spanning tussen ‘schuldig’ en ‘laten we nu bidden’. En toch is dat nou juist, zo geloof ik, één van de grootste opgaven waarvoor een gelovige zich gesteld ziet, en die, zo geloof ik, aan het ons zo tijdelijk geschonken leven een enorme diepgang kan geven. Want dat is natuurlijk ook wat speelt in deze dagen: de enorme kwetsbaarheid en vergankelijkheid van de mens. Zo lig je te zonnen op het strand, en zo word je meegezogen door de alles en iedereen vernietigende kracht van het doodswater. Wie dat ziet, die kan niet anders dan onder de indruk komen van eigen kleinheid, nietigheid, en sterfelijkheid. En is dat dan alles?, is de logisch daarop volgende vraag, zijn we dan niet meer dan slachtoffer van ons overspoelende gebeurtenissen? Hebben we dan echt niets zelf in de hand, wij die nou net dachten alles wel zelf in de hand te hebben?!
Jaren geleden kwam ik op een verjaardag een collega tegen. Waarom weet ik niet, maar het kwam op Job. Ik vertelde dat ik daar net over gepreekt had. Wat heb je gezegd, vroeg hij. ‘Dat ik het liever uithou met een God die ik vaak niet begrijp dan zonder God’, antwoordde ik. ‘Dat heb ik nou ook’, zei hij, ‘aan al die makkelijke antwoorden heb je niets’.

Gemeente van Jezus Christus, wij zijn hier samen rondom het Woord dat van generatie op generatie mensen helpt hun diepste afgronden en hun grootste vreugde richting te geven. Wij krijgen ‘het’ niet rond, laten we dat duidelijk zeggen. ‘Het’, het persoonlijk leed en het wereldleed, we krijgen het niet rond, en wie dat wel lukt, met simpele verklaringen, die doet geen recht aan de Bijbel en doet geen recht aan de slachtoffers. De enige die recht kan doen aan de slachtoffers is Hij die wij noemen God, Hij van wie wij al onze hulp verwachten, Hij, die de overlevenden de kracht moet geven met dit alles te ‘overleven’.
Ik heb van nabij meegemaakt hoe Hij slachtoffers van de concentratiekampen de kracht heeft gegeven verder te leven. In mijn studententijd ben ik een tijdlang chauffeur geweest van een joods muziekensemble. Hij dirigeerde het ensemble. Zij zat in de zaal. Als zij een jurk aan had die haar armen niet bedekte, dan had zij hier een pleister. Die bedekte haar concentratiekampnummer, getatoeëerd in haar onderarm. En terwijl zij luisterde, bezong hij de grootheid van God.
Dat deze God de slachtoffers van de tsunami, de levenden en de doden, nabij mag zijn. Amen.
Piet van Reenen, Amerongen, 9 januari 2005

Lezingen: Job 27(Nieuwe Bijbel Vertaling)
2 ‘Ja! God heeft mij mijn recht onthouden, de Ontzagwekkende heeft mij diep verbitterd.
3
Zolang het leven in mij ademt,
zolang Gods geest mij nog doortrekt,
4 zullen mijn lippen geen onwaarheid spreken,
zal geen leugen aan mijn tong ontsnappen.
5 Het laatst van al zal ik jullie gelijk erkennen,
tot aan mijn dood houd ik mijn onschuld staande.
6 Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe, over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten

Job 29
2 ‘Was alles maar als in de dagen van weleer,
als in de dagen dat God over mij waakte,
3 in de tijd dat zijn lamp boven mij scheen
en mijn weg door het donker verlichtte,
4 in de tijd dat ik de kracht van de jeugd bezat,
met het vertrouwde gezelschap van God in mijn huis,
5 toen de Ontzagwekkende met mij verkeerde
en mijn kinderen bij mij waren,
6 toen ik mijn voeten in room liet baden
en voor mij een stroom van olie uit de rots opwelde.
7 Wanneer ik naar de stadspoort ging
om mijn plaats op het plein in te nemen,
8 trokken de jongeren zich terug zodra ze me zagen,
en stonden de ouderen op om mij te begroeten.

Job 30
9 En nu ben ik het onderwerp van hun spotlied,
het mikpunt van hun lasterpraat.
10 Van afschuw deinzen ze terug voor mij
en niets weerhoudt hen mij in het gezicht te spuwen.
11
God rukt mijn tentkoord los, hij vernedert mij,
en zij overschrijden alle grenzen.
12 Het gespuis aan mijn rechterhand dringt op,
ze dwingen mij te vluchten,
zetten de aanval in, tot mijn vernietiging.
13 Mijn weg is versperd – de ondergang komt nader,
en er is niemand die te hulp schiet.
14
Aanstormend in een woeste golf
slaan ze een brede bres in mij.
15
Verschrikkingen storten zich over me uit,
mijn eer wordt weggevaagd als door de wind,
als een wolk vervliegt mijn aanzien.
16 Nu stroomt het leven uit mij weg,
ik ontsnap niet meer aan mijn ellende.
17 ’s Nachts jaagt hij helse pijnen door mijn botten,
het bloed in mijn aderen komt niet tot rust.
18 Hij rukt met geweld aan mijn kleed,
omklemt mij met de kraag van mijn mantel.
19 Hij heeft me neergesmeten in het slijk
en ik ben als stof, als as geworden

20 Ik roep u om hulp, maar u antwoordt niet;
ik sta voor u, maar u wilt mij niet zien.
21 U bent wreed voor mij geworden,
met al uw kracht hebt u zich tegen mij gekeerd.
22 U tilt me op en laat me rijden op de wind,
uw woedende storm schudt mij heen en weer.
23 Ja, ik weet dat u mij naar de dood drijft,
naar het huis van samenkomst voor alle levenden.
24 Maar keert men zich tegen een mens in nood,
wanneer hij, de ondergang nabij, om hulp roept?
25 Heb ik niet gehuild om wie in nood verkeerde?
Had ik geen medelijden met de behoeftige?
26 Ik hoopte op het goede, maar het kwade kwam,
het licht verwachtte ik, maar de duisternis brak aan.
27 Heel mijn binnenste is in beroering, ik ken geen rust; ik zie slechts dagen van ellende naderen.
28
In het zwart gehuld dool ik rond, van licht verstoken, ik sta op in de vergadering en roep om hulp.
29
Een broeder van de jakhals ben ik geworden,
een metgezel van de struisvogels.
30
Mijn huid is verschroeid en schilfert,
koorts verteert mijn gebeente.
31 Mijn lier is geworden tot rouwinstrument, mijn fluit tot de stem van de treurenden.

   

Naar de beginpagina
Naar de kerkenwerkpagina van de Ark