Seidermaaltijd op 20 maart 2008
in de Johanneskerk op Witte Donderdag

   

   

Pesach, het joodse Paasfeest, is het feest van de uittocht uit Egypte.

Het eerste paasmaal werd gegeten in de laatste nacht in Egypte, de nacht waarin de eerstgeborenen van Egypte werden gedood. Maar waar het bloed van een lam aan de deurposten gestreken was ging de plaag voorbij. Het vlees van het lam werd gegeten, met ongezuurd brood en bittere kruiden. Het verhaal van de bevrijding (de Haggadah) wordt uitvoerig verteld, waarbij de kinderen een centrale plaats innemen. De vier verplichte wijnbekers gaan rond (wij nemen vandaag een glas ter hand gevuld met wijn of druivensap. Het getal 4 komt toch terug, want wij drinken 4 glazen wijn of druivensap. Geen volle glazen dus inschenken, want in ieder geval moet het glas leeg zijn alvorens het weer wordt gevuld. Wijn wordt bij alle feesten gedronken en er worden lofliederen gezongen.

Pesach duurt zeven dagen. Het hoogtepunt is de bijzondere maaltijd op de eerste avond, de zgn. séder-maaltijd. Séder betekent ‘orde’; het is de term voor de (orde van de) maaltijd, die verloopt volgens vaste lijnen. De tafel moet mooi versierd zijn met kaarsen en op de tafel staat de sederschotel.

Op de séder-schotel horen de volgende ingrediënten:

·        Matses: De matse is gebakken van meel en water zonder gist, er was onvoldoende tijd om het brood

     te laten rijzen. Het brood wat Jezus bij het laatste avondmaal brak, zal ook een matse geweest zijn.

·        Maror: (bittere kruiden) wordt gemaakt van geraspte mierik. Mierik is een witte wortel met een heel scherpe smaak, netzoals sambal en mosterd. Als je maror eet krijg je tranen in de ogen. Op dat moment kun je je een beetje voorstellen hoe de joodse slaven in Egypte zich gevoeld moeten hebben ...

·        Charósčt: een mengsel van appelmoes, rozijnen (noten) en kaneel. De kleur doet denken aan klei (chčrčs). Dus charoset doet eraan denken dat de Israëlieten als slaven stenen moesten bakken. De smaak is zoet om het bittere lijden te verzachten.

·        Karpas: radijs of peterselie, een teken van de lente, de vruchtbaarheid en van hoop voor de toekomst. Het wordt in zout water (symbool voor de tranen van Israël) gedoopt.

·        Zróa: een botje met een beetje vlees eraan, apart gebraden, als symbool voor het paaslam.

·        Beetsa: een ei, als symbool voor de maaltijd die bij het paaslam gegeten werd en een teken van nieuw leven. Een ei verwijst tevens naar de kwetsbaarheiden breekbaarheid van het leven.