|
|
|
|
Preek van de afscheidsdienst op 6
juni 2004 |
|
|
|
|
|
Naar de eerste pagina
van het afscheid |
|
|
|
|
|
Tekst van de preek: I Cor.16 vers 24 waar staat: "Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus" |
|
| Soms lijkt het
nog maar zo kort, en soms alweer zoveel
langer. Maar hóe u
erover denkt
óf
dit voor uzélf
ervaart: het is nu ruim negen jaar geleden,
dat ik voor het eerst als uw bijstand, op
deze plaats stond. En dat ik toen ik bij u
kwam met diezelfde groet waarmee Paulus
destijds bijna al zijn brieven begon.
"Genade zij u en vrede van God, onze Vader,
en van de Here Jezus Christus." Die tekst
van toen is nog steeds het uitgangspunt voor
ons gesprek over-en met God toen en nu,
eenvoudig omdat dit anders toch niet
mogelijk is. Want hoe kunnen wij nu hiermee
beginnen of doorgaan, wanneer God ons niet
eerst tegemoet komt, en tegen ons zegt:
genade zij u en vrede.
Er zijn in deze jaren momenten geweest, waarop wij ons inderdaad en ook persoonlijk zo voelden aangesproken. Als begenadigd met wat God ons gaf, of tegen ons zei. Zo zijn wij hier toch zondag aan zondag samengekomen voor de verkondiging van Zijn evangelie, en zomaar op een dag in de week om Zijn zegen over ons huwelijk te ontvangen. Zo hebben we toch gestaan rondom het doopvont, en deel mogen nemen aan het Heilig Avondmaal. |
En
hebben we zo bij u thuis niet met elkaar
gesproken over Hem die ons genadig is, en zo
juist onze God wil zijn? Ook in ons
dagelijkse-en schijnbaar soms gewone leven,
met alles wat zich daarin afspeelt aan
vreugde en verdriet. En niet te vergeten die
vele uren van gesprekken met de
catechisanten
Maar in deze zelfde jaren waren er nog heel andere momenten. Momenten, of misschien zelfs wel tijden waarin wij hier moeite mee hadden. Waarin die groet over ons kwam, maar langs ons heen ging. Terwijl we ons nog slechts afvroegen: is dat nu wel waar, of is dit soms toch niet voor mij, voor mij zoals ik ben, bestemd. Zo waren er die momenten, waarop wij het ons maar nauwelijks konden voorstellen dat God ons genadig is. Of waren er die momenten, waarop wij ons niet opgenomen en betrokken voelden in die vrede met Hem, maar wij juist veel meer tegen Hem in opstand waren. Gewoon omdat wij Hem niet begrepen of ons aan Hem nog wilden vasthouden op de weg die wij toen moesten gaan. Zitten wij zo nog niet |
|
|
|
| altijd bij
elkaar, temidden van zoveel teleurstelling
en zorg, of bij een ziekbed. En worden wij
zo niet vaak ook met de dood geconfronteerd,
waarbij we alleen nog maar vertwijfeld, en
onbeantwoord vragen naar het waarom.
En toch heb ik geprobeerd om steeds weer vanuit deze groet met u over God , en met Hem over u te spreken. In al die verschillende situaties of omstandigheden, die er in ons leven nu eenmaal kunnen zijn. En dat heb ik dus alleen gedaan, omdat anders zo’n gesprek niet mogelijk is, of hoogstens nog slechts heel vrijblijvend zou verlopen. Juist met deze groet weten wij ons immers aangesproken door God, en neemt Hij zelf het initiatief voor een gesprek met u en met mij. Met ons: die van nature ongehoorzaam zijn, of ons doof houden voor Hem. Die graag met de rug naar Hem toe staan en Hem dan maar laten roepen. Ja, die veel liever zichzelf willen zijn, dat wil zeggen: mensen zonder God. |
En voor wie het
daarom steeds weer nodig is, dat God ons
tegemoet komt, en tegen ons zegt: genade en
vrede. Terwijl Hij er dan zelfs de tijd voor
neemt om ons dit nog eens uit te leggen, en
hiervan te overtuigen. En nu ik, wat mij betreft, dit gesprek namens God en met u over Hem afsluit, heb ik eerst gelezen hoe Paulus dat toen heeft gedaan. En zo heb ik nog wat uit de eerste brief aan de Corinthiërs gelezen, omdat ik hieruit ook die intree-tekst heb gekozen. En toen ik Paulus’ afscheidswoord hier had vergeleken met wat hij in zijn andere brieven schreef, ben ik er weer op teruggekomen, gelezen waarin hij aan zijn gebruikelijke groeten nog iets toevoegt. En dat is nu ook mijn laatste woord, waarmee ik vandaag afscheid van u wil nemen. Met dit woord dus. "Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus." |
|
|
|
| Gemeente ik kan me voorstellen dat u daar heel verschillend op reageert. Dat u misschien zult zeggen: dat is nogal wat. En dat zegt hij zomaar, voordat hij bij ons weggaat. Terwijl anderen zullen denken: moeten wij het hier nu mee doen? Natuurlijk, het lijkt of klinkt op dit moment zeker wel mooi, of in ieder geval toepasselijk. Maar is hij ons straks niet vergeten. En wat blijft er dan van deze afscheidsgroet nog over? Afgezien nog van de vraag: in hoeverre is die wel gemeend is. Tenslotte besluiten we zoveel brieven en gesprekken met een groet, die soms afhankelijk is van de omstandigheden, en dan weer aangepast aan degene met wie wij hebben gesproken of gecorrespondeerd en we het op een ander moment alleen nog maar zakelijk, uit beleefdheid, doen. Zo schrijven we onder de ene brief: met veel liefs of iets dergelijks, van uw liefhebbende enzovoort, en besluiten we een ander schrijven met vriendelijke groeten of hoogachtend. En waar hoort nu deze afscheidsgroet bij? Is dat soms een vorm van beleefdheid, of een bepaalde gewoonte: om toch nog iets te willen zeggen, en niet zomaar ons gesprek te beëindigen. | Of is dit nu echt gemeend? Maar wat hebben we hier dan aan? Laat ik mogen beginnen, met u te zeggen dat ik deze groet niet zonder meer van Paulus heb overgenomen, maar dat ik me die eigen heb gemaakt. Zodat ik hier nu volkomen en persoonlijk achter sta. Maar verder hebt u gelijk, wanneer u zegt dat dit toch maar betrekkelijk is. Want waar blijkt straks die liefde uit, of wat komt er van terecht als u hier in Overlangbroek en ik in Amerongen zit.In antwoord hierop zou ik u willen zeggen, dat Paulus dit niet heeft geschreven toen hij nog in Corinthe was. Maar dat hij het pas enkele jaren later vanuit Efeze heeft gedaan. En dat kon hij doen omdat hij niet over zichzelf maar over Christus sprak. Daarop ligt namelijk de nadruk: "Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus." In die ene Heer, door wie wij, nabij of ver, toch met elkaar verbonden zijn. En wel zo: dat er geen tijd of afstand nog meer tussenbeide komt. Dit is dus niet een bepaald gevoel dat afzwakt en overgaat. Mijn liefde is met u allen. En die blijft hoe ver we ook van elkaar verwijderd zijn |
|
|
|
| Dit betekent, dat het ook vanmorgen veel meer over God gaat, dan om Paulus en de Corinthiërs, of over u en mij. Want, zegt Johannes heel uitdagend en exclusief tegelijk: "God is liefde." En dat is Hij niet zomaar, alsof dit een soort eigenschap van Hem was. Waar Hij nu eens uiting aangeeft, en die Hij even later nog weer voor zichzelf houdt. Zodat wij er soms iets, en ook wel eens niets van merken. Iemand heeft ze nauwkeurig bij elkaar opgeteld, en met name van het Oude Testament toen gezegd: dat hier slechts vier keer over de liefde wordt gesproken, en verder nog alleen maar over het liefhebben van God. Met andere woorden: God is hier actief mee bezig, en voortdurend op weg, of op zoek naar ons, om Zijn liefde aan ons te laten zien en ervaren. Wij praten nog wel eens over God en over Zijn liefde. Maar zonder dat we onszelf daarbij betrekken, of ons ook werkelijk zien als mensen voor wie deze liefde |
bestemd is. Terwijl God van Zijn kant juist
niet anders doet, dan ons hier steeds maar
weer bij te halen. En ons duidelijk te
maken, dat Hij ons liefheeft. Zomaar
spontaan, zonder dat wij hier om gevraagd,
of hier recht op hebben. Daarom is die
liefde ook voor ons een wonder, waardoor wij
iedere keer nog weer verrast en overrompeld
worden. En zowel Paulus als Johannes vertellen ons nu, dat God Zijn liefde eigenlijk vooral, of zelfs uitsluitend heeft gedemonstreerd in Jezus Christus. In wie het daardoor namelijk zichtbaar is geworden wie, en wat God voor ons wil zijn. Hoe Hij nu wel over ons denkt, en met ons bezig is. Want die liefde is geen feit maar een activiteit. Geen gegeven maar een gelovig geschieden en voltrekt zich o.a. in Gods vergeving en trouw, in zijn troost en bemoediging. En zo is zij als het ware die ruimte, waar het God-met-ons een werkelijkheid is geworden. |
|
|
|
| Waarin wij ons
thuis en geborgen mogen weten, omdat, zoals
Paulus haar omschrijft, de liefde alles
verdraagt en bedekt, alles hoopt en gelooft
en zij nimmermeer vergaat. En in diezelfde ruimte mogen wij dus ook elkaar liefhebben, gemeente van Jezus Christus zijn, en wordt het tegelijk begrijpelijk wanneer Hij daarom nu juist van ons vraagt, dat wij ook elkaar zullen liefhebben. Zoals Hij dit bij voorbeeld heeft gevraagd, toen Hij van Zijn discipelen afscheid nam. En terwijl Hij dit doet, verwijst Hij ons hiervoor naar God, en naar zichzelf. Opdat we het toch maar vooral goed zullen weten en onthouden dat wij elkaar slechts kunnen liefhebben: niet alleen in opdracht, maar ook naar het voorbeeld wat Hij ons heeft gegeven. Want, zegt Johannes: "Indien God ons zo heeft liefgehad, behoren ook wij elkander lief te hebben." Zomaar als een gevolg of reactie, en niet meer dan een echo die zich voortzet, vanuit Gods liefde voor ons, tot in onze liefde voor elkaar |
"Mijn liefde is met u in Christus Jezus."
dat is maar geen gevoel, of iets passiefs
van mij waar u misschien nog wel eens iets,
en soms ook niets van merkt. Neen, volgens
de Bijbel is de liefde juist actief, en
volop in beweging. In de aandacht en de
bezorgdheid van de
één
voor de ander, met alle risico’s of gevolgen
daarvan. Zoals Jezus zelf de consequentie
hieruit heeft getrokken tijdens zijn leven
en optreden onder de mensen, en in Zijn
lijden en sterven voor ons. Die actieve, die
daadwerkelijke liefde vraagt Hij dus ook van
ons. Omdat het duidelijk wordt dat wij Zijn
vrienden, Zijn leerlingen zijn, die dit
tenminste van Hem hebben geleerd. En die
daarom mogen zeggen, dat zij tot Zijn
gemeente horen en door Hem daartoe gerekend
worden. En juist omdat die gemeente wel iets groter is, dan wij hier die bij elkaar zijn, mag ik bij mijn afscheid vanmorgen zomaar tegen u zeggen: "mijn liefde is met u allen in Christus Jezus."
|
|
|
|
| En die liefde
blijft ook, omdat wij nabij of ver, toch met
elkaar verbonden zijn: door
één
Heer en geloof, door
één
Geest en hoop, door
één
God en Vader. "In Christus Jezus", dat wil
eenvoudig zeggen: dat onze liefde via Hem
loopt. Bij Hem ligt hiervan immers een
geweldig kapitaal, waarvan wij mogen afnemen
en overmaken aan elkaar. Zoveel als we samen
nodig hebben.
Gemeente, na alles wat Paulus aan die Corinthiërs heeft geschreven, zoals over haar onderlinge verdeeldheid en haar zonde ten opzichte van God; nadat hij nog eens heel uitvoerig het Avondmaal en de opstanding van Christus heeft uitgelegd, als het enige uitgangspunt voor ons geloof. En fundament van Zijn gemeente, zegt Hij tegen hen: "Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus." en nadat wij in deze afgelopen jaren met elkaar over niets anders hebben gesproken, zeg ik dit nu ook tegen u |
Inderdaad, daar
zult u misschien zo op het eerst gezicht
heel weinig van merken. Als u dan maar van
mij aanneemt, dat het toch zo is. En dat dit
zich ook voortzet, en uitwerkt. Al was het
alleen maar in een gericht zijn op uw
vreugde en het o.a. delen van uw verdriet.
Of in ons gebed, waarmee we elkaar tenslotte
toch ook kunnen toevertrouwen aan de zegen
van onze Heer, en wij elkaar mogen opdragen
en overlaten aan Zijn trouw.
Neen, om Christus’ wil is en komt er tussen ons geen afstand, maar blijven wij juist met elkaar verbonden: als leden van Zijn éne gemeente. En daarom, nogmaals: "Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus." Amen.
|
|
|
|
|
Hierna wordt gezongen gezang 314:3 uit het
Liedboek der kerken:
Nabij of ver, wij zijn verbonden: |
|
|
|
|
|
Naar de eerste pagina
van het afscheid |
|