4

Terug
Beginpagina

De uilentoren. Boven staat op elke hoek
een uil. 
Op boven- en onderstaande foto's ziet u
wat voor uitzicht u hebt!
Het behoort tot de min of meer gekke gebouwen, hetgeen een "folly" wordt genoemd. Deze toren werd op een hoog punt (ca. 34m +NAP) als uitzichttoren gebouwd. Op de hoekpunten werden vier uilen geplaatst. De bouw van de toren en de ontginning van de heide en aanleg van het bos vond hier omstreeks 1905 plaats. (voor meer foto's van de
uilentoren, klik hier)

Voor deze toren gaan we de beukenlaan links in en zien hier de zeer steile helling van de stuwwal.

               

Aan het eind van de beukenlaan gaan we linksaf en na de slagboom rechtsaf.
Het grafmonument of Tombe van Nellesteyn (6) uit 1818 wordt als het meest puur neoclassicistische bouwwerk in ons land gezien. De ontwerper is Johan David Zocher Jr. Het eigenlijke grafmonument bevindt zich onder de toren.
De toren staat op een hoogte van ca. 36 meter +NAP. Deze was van verre te zien en vanaf het dak was er een weids uitzicht. In 1628 (zie voorpagina) bestond de Heuvelrug vnl. uit heide. Het uitzicht was hier groots, want er stond vrijwel geen boom. Alleen naar het oosten (na Amerongen) stond nog bos. Vermoedelijk was het gebied bij de toren in 1818 nog met heide begroeid. In 1850 lag langs de Maarsbergse weg/Utrechtse Baan een klein bosgebiedje ten westen van deze toren. In 1895 was de toren door een bosgebiedje omgeven en tegenwoordig is de Heuvelrug vrijwel geheel bebost. Het is eeuwenlang een grote, stille heide geweest, waar o.a. de schapen hebben gegraasd. Vóór het monument ligt sinds 1829 de kleine begraafplaats van de voormalige gemeente Darthuizen.

Hier kijkt u dwars over het droge dal heen. In het donkere gedeelte bevindt zich 
namelijk weer een helling. 

We volgen het gemarkeerde pad (rode of blauwe route) en gaan richting parkeerplaats. Bijna beneden gekomen ziet u een doorlopende laagte, een zgn. droog dal (7). Hier is in de laatste ijstijd (Weichselien) een dal ontstaan, doordat beekjes met smeltwater in de bevroren ondergrond van de stuwwal sneden en zand of grind meevoerden. Zo' n dal noemt men een sneeuwsmeltwaterdal of droog dal. 
Foto rechts: iets ten oosten
van het droge dal bevindt zich een
zandafgraving.
Vanaf de parkeerplaats gaan we linksaf naar de voorrangsweg, hier eveneens linksaf en we stoppen na ruim 100 meter op de kruising.

Als u naar links kijkt, ziet u de steile helling van de stuwwal. Het lijkt vreemd, maar toch heeft de stuwwal naar rechts doorgelopen. De stuwwal is hier weggespoeld. In 1628 wist men dit ook al, want men noemde deze brede (ca. 650 meter) laagte ook al t Gat vanden Berch (8). Tegenwoordig heet dit een ijssmeltwaterdal (8). Hier is aan het eind van de ijstijd (Saalien) door o.a. het smelten van het ijs een sterke stroming ontstaan, het vnl. grindhoudende zand is weggespoeld en de stuwwal zodoende doorsneden. Voor een beschrijving van het ontstaan van de bodem, klik hier.

We steken hier de weg over en volgen de weg achter de slagboom. De laagte is voor een deel opgevuld met dekzand en daarna met stuifzand. We zien eerst een uitgestoven laagte, waar later wat zand is opgestoven. Dit gebied is zwakgolvend met een enkel kopje. Na de V-splitsing (na ca. 50 meter) ziet u de opgestoven hoogte (9). Na deze hoogte komt u in het vlak tot zwakgolvende dekzandgebied. We lopen door tot de kruising met het ruiterpad. Dit nemen we zowel links als rechts niet, maar gaan schuin naar rechts de stuwwal op. Allereerst ligt hier vanaf de kruising een strookje hellingzand (10) en daarna de stuwwal (4).

We zijn op een gebogen weg gekomen en gaan aan het eind linksaf. Bijna aan het eind van deze weg zien wij een plek met vossebessen (11). (zie bovenstaande foto's)

Aan het eind gaan wij bij het ruiterpad rechtsaf en bij de harde weg linksaf. We steken de voorrangsweg over en volgen deze tot bij de kwekerij. Hier zien we in de bosstrook dikke stobben staan met daarop een boom (12). Op de voormalige stobbe (stoof) van het eikenhakhout heeft men één scheut laten (zie onder) doorgroeien. De verschij- ningsvorm van deze spaartelg en het hierna beschreven bos (13) zijn verschillend.
           
We lopen tot de half verharde weg en gaan hier linksaf en stoppen bij de Molenweg. Rechts zien we een voormalig eikenhakhoutbos, dat tot een spaartelgenbos (13) is omgevormd. Deze eiken waren vroeger meerstammig en werden om de 7 à 12 jaar gekapt en de bast werd gebruikt voor de bereiding van looistof. De toepassing is niet meer van deze tijd en daarom heeft men het eikenhakhout afgehakt. Van de vele scheuten die aan de stobbe (stoof) groeiden, heeft men één scheut (een spaartelg) laten staan om er een opgaande boom van te laten groeien.
We lopen door naar het startpunt en zien links de voormalige boerderij Middelweg (Broekhuyzen) uit 1775. Links hiervan staat de tot woning verbouwde schuur. 
We hopen dat u van een prettige wandeling het genoten.

Het eikenhakhout

Het eikenbos aan de rechterzijde was voorheen een eikenhakhout_ of akkermaalsbos. Het verwijst naar een verdwenen cultuur van het telen van eikenhakhout. De teelt van eikenhakhout vond plaats op houtwallen en in bosjes. Het eikenhakhout leverde oorspronkelijk brand_ en geriefhout op, maar werd vanaf de 19de eeuw ook voor de schors (eek) geteeld. De eek werd gebruikt als grondstof in leerlooierijen. Het eikenhakhout was om de 7 à 12 jaar kaprijp en het werd dan gehakt. Dit geschiedde in mei of juni als de sapstroom het grootst was en de bast los zat. Voor de eekschiller was dat belangrijk, want bij groeizaam, zacht weer zat de bast los en was er een goede boterham te verdienen. Bij schraal weer met oosten_ of noordenwind verdienden ze slechts een schraal dagloontje.

Het eekschillen werd door buiten de gemeente wonende mensen uitgevoerd. De eekschiller diende daarom met z' n gehele gezin op reis te gaan. Veelal was men veel te arm om een paard en wagen te bezitten. Het gereedschap, kleding, voedsel en de kleine kinderen werden daarom met de kruiwagen vervoerd. Bovendien werd de geit, de werkmanskoe, voor de melk meegenomen. De woonomstandigheden waren tijdens de reis en het eekschillen primitief. Het gezin kreeg evt. toestemming om te overnachten in een schuur of hooiberg of men bouwde zelf een plaggenhut.

Binnen het gezin was er een taakverdeling naar zwaarte van het werk. De mannen deden het zware werk en groeven mangaten in de grond. Tevens hakten zij het hout af en op lengte. De kinderen van 12 jaar en ouder hadden de taak om de bast los te kloppen. Dat deden ze staande in of zittende op de rand van de mangaten. Het reeds in stukken gehakte hout werd vervolgens op het aambeeld gelegd. De groene bast werd met de achterkant van een stomp bijltje losgeslagen. Daarna werd de bast afgepeld en in bosjes gebonden.

De taak van de vrouw betrof de 'huishouding' en het binden van de losse bast in bosjes. Bleef er nog tijd over, dan werd er met het kloppen geholpen.

De kinderen, die voor het eerst meewerkten, hadden het bijzonder zwaar. De handen van de jonge kinderen waren namelijk niet gehard. De ruwe schors veroorzaakte dan ook blaren en kloven. Na 'genezing' moesten ze weer aan de slag en zo kregen ze een flinke eeltlaag in de handen.

De bundels eikenschors werden in eekschuren of -bergen gedroogd. Daarna werden deze klein gemaakt, naar de eekmolen gebracht, aldaar fijn gemalen en looizuur uit gewonnen. De bast bevat namelijk veel looizuur en dit werd gebruikt bij het maken van leer. Leerlooierijen stonden bijv. in Barneveld, Rhenen en Wageningen. Het dikke, geschilde hout (talhout) werd in bossen gebonden en bijv. als palen of in vis- en worstrokerijen gebruikt. Het dunnere hout werd voor het aanmaken van vuur in locomotieven gebruikt en deze werden spoorbosjes genoemd. Het lichtere hout werd ook gebruikt in bakkersovens, als boerenge- riefhout en als bonenhout. Na 1920 werd er vrijwel geen eikenhakhout verkocht.

Verantwoording.

Grasduinen: foto buizerd en specht voorpagina.

Landbouwuniversiteit Wageningen: Centrale Bibliotheek afd. Speciale Collecties: inv. nr. KK1220, Ultrajectinus/anct. Balthazaro Florentio à Berkenrode, Ametelo_dami: apnd H. Hondius, kaart uit 1628 op de voorpagina.

Loo, H. van het, Bescryvinge van Ameronghen, Mens, bodem en landschap met een verleden, uitgave Heemkundige Stichting te Amerongen, 1991

Loo, H. van het, tekst, 2001.

Meulenkamp, Wim, Follies en Tuinsieraden, uitgave Stichting Matrijs. Utrecht, 1995.

Verburg_ de Waard, M, website.

Verburg, W.: foto' s

Vereniging voor Dorp en Natuur Amerongen Leersum i.s.m. Jan van der Valk en Betty van den Bosch, Fietsroute langs Amerongse en Leersumse Monumenten, 2000.

Verbraeck, A, Toelichting bij de Geologische Kaart van Nederland 1 : 50 000, Blad Tiel West (39W) en blad Tiel Oost (39O), Rijks Geologische Dienst, Haarlem, 1984.



Pagina 2  
Pagina 3 
Beginpagina